Masterscriptie af

Het magnum opus is compleet, mijn masterscriptie is eindelijk af! Ik heb deze ingeleverd op 2 augustus. Een link om mijn scriptie te downloaden is op mijn Engelse weblog te vinden. Toen ik vorig jaar december begon met mijn oriëntatie op het onderwerp was mijn plan om ergens aan het einde van de vierde periode van dit studiejaar de scriptie in te leveren.

De werkelijkheid is hardnekkiger omdat ik slecht meerdere dingen tegelijk kan doen. Ik had ik ook een bijbaan voor twee dagen in de week vanaf februari en een laatste zeer intensieve cursus in het vierde blok. Het echte werk begon pas midden juni geloof ik. Wederom (zo ging het ook met mijn bachelorscriptie) heb ik zwaar onderschat hoeveel tijd het zou kosten. Vooral de laatste drie dagen heb ik in een extreme trance van concentratie doorgebracht achter mijn monitor om praktisch de hele dag alleen maar de punten op de i te zetten.

Onderwerp

Mijn masterscriptie gaat over het gebruik van open source software door gemeenten. Voor wie mijn scriptie leest zal duidelijk worden dat gemeenten (en iedere andere organisatie) daar veel geld mee kunnen besparen en andere voordelen mee kunnen behalen. Het doet mij een plezier dat ik een onderwerp heb onderzocht dat maatschappelijk nut heeft. Veel scripties in de geesteswetenschappen (inclusief mijn bachelorscriptie) kunnen linea recta in de bureaula verdwijnen, wat een stuk minder waarschijnlijk is voor deze scriptie.

Deze afgeronde scriptie zal ik dan ook naar veel van de respondenten sturen die de vragenlijst voor het onderzoek hadden ingevuld. Sommigen van hen wilden graag weten hoe hun gemeente te vergelijken was met anderen. Ik zal deze scriptie ook zeker naar een aantal Kamerleden sturen die ICT in portefeuille hebben, in de conclusie worden immers aanbevelingen gegeven voor ander regeringsbeleid. Ik denk ook na over publicatie van mijn scriptie.

Respons

Dat brengt mij gelijk op een ander onderwerp, de respons. Van de 81 gemeenten, ambtelijke fusies en samenwerkingsorganisaties waar ik contact mee heb opgenomen hebben er 41 antwoord gegeven. Dat is niet slecht, maar ik wil meer respons. Met maar 41 respondenten is de scriptie het niet waard om gepubliceerd te worden denk ik. Meer respons betekent namelijk meer zekerheid voor de conclusies die aan de data analyse kunnen worden verbonden.

Daarom zal ik de komende dagen nog snel zo veel mogelijk gemeenten per e-mail een uitnodiging voor de vragenlijst sturen. Dat zal niet gepaard gaan met de extra inspanningen tot zover om gemeenten die niet hebben geantwoord alsnog zover te krijgen om dat te doen.

Statistiek ging mij goed af

Statistiek was de uitdaging die ik zag in het schrijven van deze masterscriptie, maar dat is erg meegevallen. Ik had verwacht dat ik nu wat meer van al die complexe formules zou begrijpen en zelf wat rekenwerk zou kunnen doen, maar het wordt allemaal uit handen genomen door software als R die de data voor je analyseert met een model. Weer een geval van computers die ons dommer maken.

Desondanks heb ik gigantisch veel gelezen over statistiek en veel geleerd, al was het handig geweest om een boek ter introductie van statistiek te hebben gehad. Ik heb nu enige kennis van hoe modellen worden gekozen en resultaten geïnterpreteerd, al blijft alles daartussen voor mij een black box. Alles wat ik voor zover van statistiek heb geleerd is immers nog maar de punt van de ijsberg.

Vooruitzicht scriptieverdediging en beoordeling

Op dit moment ben ik aan het anticiperen op de scriptieverdediging die voorlopig op 21 augustus gepland staat. Ik probeer alle mogelijke kritiek te bedenken die gericht zou kunnen worden op mijn onderzoek. Dat is voor mij lastig als je er zo lang aan gewerkt hebt, om die afstand te kunnen nemen en met kritische blik mijn eigen onderzoek te evalueren. Ik denk dat ik voldoe aan veel van de kenmerken van excellente masterscripties die ik eerder beschreef en ik hoop op een acht als beoordeling.

Mijn werk aan mijn masterscriptie tot zover

Dit is weer iets waar ik eigenlijk al eerder over had moeten bloggen omdat ik al sinds november vorig jaar met mijn masterscriptie bezig ben. Op dat moment volgde ik in het tweede blok (van vier in totaal) van mijn master Public Administration aan de Universiteit Leiden (UL) de cursus Research Design. Die cursus gaat over onderzoeksontwerp en bereid studenten voor op het schrijven van de masterscriptie. Het schrijven van een onderzoeksvoorstel bepaalde voor een belangrijk deel het eindcijfer van die cursus.

Al voordat de cursus begon besloot ik grondig na te denken over een onderwerp voor mijn onderzoeksvoorstel. Ik wilde namelijk een onderzoeksvoorstel schrijven dat ook als basis zou kunnen dienen voor mijn masterscriptie. Ik had gehoord dat veel studenten nog niet zeker waren van het onderwerp van hun masterscriptie, en later een ander onderzoeksvoorstel schreven om te gebruiken voor de masterscriptie. Maar ik had geen zin om het wiel opnieuw uit te vinden en wilde het gelijk goed doen.

Ik heb lang nagedacht over at voor onderwerp ik voor mijn scriptie zou kiezen. Om mij te oriënteren begon ik al snel met het lezen van andere masterscripties om inspiratie op te doen. Een eenvoudige manier om dat te doen is het Igitur Archief van de Universiteit Utrecht (UU), waar ik mijn bachelor Geschiedenis heb gestudeerd. Als ik het goed heb was het toen ik mijn bachelorscriptie voor de opleiding Geschiedenis schreef alleen toegestaan voor masterstudenten om hun scripties te uploaden, maar bij het aanvragen van mijn diploma bleek het beleid te zijn veranderd. Het was een voorwaarde geworden voor het toekennen van een diploma dat de bachelorscriptie in het archief werd geplaatst. De regels per opleiding verschillen nog steeds als ik het goed heb, maar ik vind het een geweldig beleid van de UU dat scripties in het archief moeten worden geplaatst. Kennis gaat zo niet meer verloren.

In mijn zoektocht naar inspiratie heb ik erg veel scripties gelezen uit het Igitur Archief, uit interesse ook een aantal die niets met mijn vakgebied Bestuurskunde te maken hadden. De bachelor- en masterscripties van de studenten van Bestuurs- en Organisatiewetenschap zijn hier te vinden in het Archief. De UL heeft wat dat betreft de zaken veel minder goed op orde, want er is helemaal geen digitaal archief, er zijn alleen papieren kopieën van masterscripties van mijn opleiding te vinden in de bibliotheek van de Faculteit Sociale Wetenschappen. Ik heb heel veel scripties gelezen en veel interessante onderwerpen overwogen, maar uiteindelijk heb ik toch een onderwerp gekozen dat mij al veel langer interesseerde en mijn interesses in Bestuurskunde en open source software combineert. Mijn onderzoeksvraag is uiteindelijk geworden: hoe kan de variatie in de adoptie van open source software door Nederlandse gemeenten verklaard worden?

Ik heb geen zin om het wat, hoe en waarom nu in detail uit te leggen, daar kunnen jullie later wel achter komen wanneer ik mijn afgemaakte masterscriptie hier post op mijn weblog. Vervolgens schreef een onderzoeksvoorstel voor deze onderzoeksvraag en werd dat beoordeeld met een negen, een goed begin. Maar er moest nog veel veranderd worden voordat het daadwerkelijk bruikbaar was voor een masterscriptie. Na een paar maanden vertraging vanwege een gebrek aan inspiratie zit nu de fase waarin ik bijna een definitief onderzoeksvoorstel heb. Na lang nadenken heb ik veel minder geschikte hypotheses afgeschoten en wacht ik op de beoordeling van mijn scriptiebegeleider. Maar nu ik bijna op het punt sta het onderzoek daadwerkelijk uit te voeren en laatste verfijningen te maken aan het ontwerp, rijst bij mij de vraag hoe ik een geweldige masterscriptie schrijf.

Mijn antwoord op deze vraag is wederom, leer van andere masterscripties, de beste in dit geval. Er bestaat een groot aantal scriptieprijzen in Nederland voor de beste masterscripties in verschillende categorieën. Wikipedia geeft een paar voorbeelden, maar veel universiteiten reiken ook scriptieprijzen uit. De UU heeft een scriptieprijs en de UL ook. Lees die scripties –  als er geen links worden gegeven volstaat het invoeren van de titels in Google vaak wel – en bedenk wat ze exceptioneel maakt. Er zijn ook artikelen geschreven over hoe een goede scriptie geschreven moet worden op basis van interviews met de winnaars van deze scriptieprijzen, lees die vooral ook. Zie hier het artikel van DUB over de winnaars van de scriptieprijs van de UU en hier het artikel over de winnaars van de scriptieprijs van de UL.

De twee artikelen noemen vergelijkbare succesfactoren die ik ook kan herkennen in mijn onderzoek. Ik heb een intrinsieke motivatie om mijn scriptie te schrijven, ik ben oprecht geïnteresseerd in het onderwerp. Een scriptie die werkelijk goed is moet kans hebben om gepubliceerd te worden in een wetenschappelijk tijdschrift. Mijn scriptiebegeleider speculeerde dat mijn scriptie eventueel ook gepubliceerd zou kunnen worden als ik goed werk aflever. Wetenschappelijke tijdschriften zijn meer geïnteresseerd in onderzoek met een innovatieve aanpak en nieuwe ideeën. Mijn onderwerp kan voldoen aan dat criterium voor originaliteit, voor zover ik weet is mijn onderwerp nog nooit onderzocht.

Aan de andere kant, volgens het artikel van DUB weten excellente studenten met zeer beperkte hulp van hun begeleider een onderzoeksvoorstel uit te werken. Daar was bij mij geen sprake van; mijn begeleider moest mij wijzen op een aantal hypotheses die niet zo geschikt waren. Wellicht heeft dat te maken met mijn beperkte ervaring met kwantitatief onderzoek en onderzoek in het kader van de sociale wetenschappen. Ik heb immers een bachelor Geschiedenis gevolgd, iets totaal anders, en mis kennis die anderen in de bacheloropleiding Bestuurskunde hebben opgedaan. Maar dat is niet iets wat ik als excuus wil gebruiken, voor mij is het een reden om mij meer in onderzoeksmethoden te verdiepen. De masterscripties die ik lees bestudeer ik dan ook nauwkeurig op het gebruik van onderzoeksmethoden. Tevens was mijn gebrek aan ervaring met kwantitatief onderzoek juist een van de redenen om daar voor te kiezen. Als historicus heb ik nooit iets anders gedaan kwalitatief onderzoek (hoewel binnen Economische Geschiedenis wel met kwantitatief onderzoek gewerkt kan worden), ik wilde het nu anders doen.Ik heb slechte ervaringen met statistiek, ik begreep er niks van tijdens de twee jaar dat ik Bestuurskunde studeerde aan de Avans Hogeschool in ‘s-Hertogenbosch, dus de uitdaging is extra groot.

Te weinig masterstudenten zouden zelf een onderwerp verzinnen en daar een begeleider bij zoeken, zegt een van de scriptiebegeleiders in het artikel van DUB. Ik heb dat wel gedaan. Het interessante is dat mijn opleiding zogenaamde Capstone projecten heeft die worden georganiseerd door het personeel van de studie, en waar studenten zich bij kunnen aansluiten om onderzoek te verrichten als alternatief voor de traditionele masterscriptie. Dit zou de samenwerkingsvaardigheden bevorderen van de studenten, maar het is niet bevorderlijk voor de creativiteit en zelfstandigheid.

Hoe mooi de inhoud van sommige masterscripties ook is, zo erbarmelijk kan de presentatie van de scripties zijn. Kijk bijvoorbeeld naar scriptie van Jeroen Bouterse die met een tien is beoordeeld en waar DUB naar verwijst. Het ziet er niet aantrekkelijk uit en dat eeuwige Times New Roman is een lelijk lettertype. En dan zijn er natuurlijk nog die scripties die extra regelafstand hebben, vaak alleen maar omdat de faculteit daar stomme richtlijnen voor heeft, dat ziet er zo slecht uit dat het braakneigingen oproept. Ik zou het wel anders doen met LaTeX en het lettertype Linux Libertine. Beide zijn vrije en gratis software en LaTeX heb ik al vaak besproken op mijn Engelse blog, maar het heeft uiteraard een wat steile leercurve. Ik had eigenlijk verwacht dat de UU wel een van de grafische ontwerpers die ze ongetwijfeld in dienst hebben had opgedragen om die winnende masterscripties onder handen te nemen.

Gestopt met zoektocht naar een kamer

Inmiddels ben ik gestopt met mijn zoektocht naar een studentenkamer in Leiden, na ongeveer acht hospiteeravonden bezocht te hebben. En dan is mij verteld dat acht hospiteeravonden nog ongeveer het gemiddelde aantal is dat gehaald wordt voordat er een kamer bemachtigd wordt. Ik ben er niet mee gestopt omdat ik genoeg had van de hospiteeravonden, maar omdat thuis blijven wonen meer voordelen heeft.

Een van de belangrijke redenen is dat ik er veel geld mee bespaar. En na één jaar zou ik mijn kamer toch al weer verlaten omdat ik dan verwacht mijn mastergraad te hebben behaald, dus eigenlijk is het dan de moeite niet waard, zeker als er geen noodzaak is. Want mijn reistijd is gemiddeld tussen de drie uur en drieënhalf uur per dag heen en terug. De reis gaat van mijn woonplaats in de gemeente Vianen met de bus naar Utrecht Centraal en vervolgens met de trein naar Leiden Centraal. Als je de reistijd niet volledig als verloren tijd rekent omdat er in de bus en de trein gelegenheid is om te studeren, dan kan ik uitgaan van ongeveer 1 uur verloren tijd per dag. Met op dit moment twee dagen en in de toekomst mogelijk drie dagen college per week komen we dan op twee tot drie uur verloren tijd uit per week.

Zelfs al zou ik de hele reistijd als verloren beschouwen dan ben ik nog steeds minder tijd kwijt aan thuiswonen dan in Leiden wonen. Hier bij mijn ouders hoef ik in principe niet zelf te koken en is er ook een afwasmachine. Omdat ik hier gratis woon heb ik ook minder noodzaak een bijbaan te nemen, die ik op dit moment niet heb omdat mijn detacheerder geen opdrachten voor mij heeft. Bijkomend voordeel is dat ik leuke ouders heb, dus thuis wonen is voor mij niet een groot probleem, ook al vind ik het wel leuker om woonruimte te delen met andere studenten.

Master gevonden, hospiteren en frustraties met Kamernet

In mijn vorige  post schreef ik over mijn zoektocht naar een andere masteropleiding. Inmiddels heb ik al een bewijs van toelating ontvangen voor de master Public Administration aan de Universiteit Leiden met als specialisatie Politics & Bureaucracy. Tot zover alleen nog een bewijs van toelating en geen post die mij uitlegt waar ik wanneer aanwezig moet zijn voor een introductie, maar dat is ook mijn eigen fout omdat ik mij na de uiterste aanmelddatum van 15 juni had aangemeld. Inmiddels ben ik al even op zoek naar een kamer en heb ik al drie hospiteeravonden achter de rug. Ik wil namelijk absoluut woonruimte delen met andere studenten na mijn negatieve ervaring met zelfstandige woonruimte in Rotterdam en mijn positieve ervaringen met het leven bij een gastgezin samen met andere vrijwilligers in Nepal.

Het vinden van een studentenkamer is voor mij niet makkelijk. Reageren en uitnodigingen krijgen voor een hospiteeravond is makkelijk, dat is een kwestie van een goede reactie schrijven en die later weer eventueel met enige aanpassing hergebruiken. Bij de eerste hospiteeravond had ik simpelweg te veel concurrentie, daar kwamen iets van zes anderen op af. De tweede hospiteeravond ging veel beter, ook daar waren veel mensen verwacht maar kwamen er maar vier anderen opdagen. Blijkbaar gebeurt het wel vaker dat veel mensen reageren en worden uitgenodigd, later om de een of andere reden niet meer geïnteresseerd zijn en zich dan niet meer afmelden. Deze keer was het mogelijk om vanwege het geringe aantal aanwezige genodigden één op één gesprekken te houden met de huisgenoten, in tegenstelling tot de drie vragenrondes van de eerste hospiteeravond. Er waren dus iets van vier of vijf huisgenoten aanwezig op de tweede hospiteeravond, terwijl er meer dan vijftien in het huis woonden, maar die waren blijkbaar niet aanwezig of op vakantie. Dat lijkt een patroon te zijn op de hospiteeravonden die ik tot zover heb bezocht. Ik vind het vreemd (met uitzondering van afwezigheid bij vakanties), als ik een huisgenoot was zou ik erg geïnteresseerd zijn in wie ik in huis kan halen.

Tijdens deze tweede hospiteeravond ging ik beter te werk en heb ik veel gekletst en mij meer proberen te onderscheiden. Wederom zonder success. De derde hospiteeravond was in dezelfde studentenflat, maar dan met huisgenoten die mij nog beter gezelschap leken te zijn en die hun woonruimte iets beter verzorgden. Voor het eerst dacht ik werkelijk, met deze mensen wil ik graag de woning delen. Bij deze hospiteeravond waren er vier huisgenoten en drie andere kamerzoekenden aanwezig, en ik schatte mijn kansen op success hoog in. Maar ik viel alweer buiten de boot. Soms ook tot de verbazing van anderen die een woning zochten, waarvan een mij op de tweede hospiteeravond vertelde dat hij had verwacht dat de keuze op mij zou zijn gevallen. Een ander uitte een ‘so…’ van verbazing toen ik een veel uitgebreider verhaal hield op de derde hospiteeravond dan de anderen om mijzelf te introduceren. Volgens mij is mijn grootste probleem dat ik masterstudent ben. Dat is voor zover bijna de enige reden geweest voor huisgenoten om mij niet uit te nodigen voor een hospiteeravond (en als dat geen reden is wordt ik dus in bijna alle gevallen wel uitgenodigd) en om mij niet te kiezen als huisgenoot. Want als masterstudent blijf ik er niet langer dan een jaar en ben ik met 24 jaar soms ook nog als nieuwkomer de oudste in huis. Ik kan wel begrijpen dat een huisgenoot van 19 jaar daar niet op zit te wachten.

De eerste drie hospiteeravonden ben ik op het spoor gekomen via de woningcorporatie SLS Wonen. Omdat daarna het aanbod via SLS Wonen begon te slinken (ik wil niet meer dan € 250 neerleggen voor een kamer) moest ik mijn heil zoeken op andere websites om aan een kamer te komen. Dat is tot mijn onvrede Kamernet geworden, omdat deze het grootste aanbod van advertenties lijkt te hebben en simpelweg omdat andere websites zuigen. Inmiddels heb ik al op drie advertenties via Kamernet gereageerd. Een daarvan was voor een zeer ruime kamer voor minder dan € 200 inclusief die antikraak was en waarvan de bewoners bewust naar iemand tussen de 20 en 30 jaar oud zochten. Dat maakte met mij een uiterst geschikte overeenkomst, maar ik heb niet eens een antwoord ontvangen op mijn reactie. Uiteraard sprong ik met mijn hoofd tegen het plafond van frustratie omdat ik om de een of andere mysterieuze reden niet eens een reactie kreeg. De overige twee reacties hebben wel tot uitnodigingen geleid voor hospiteeravonden vanavond en morgenavond.

De website van Kamernet werkt redelijk goed, maar ik heb een groot probleem met het zakelijk model van deze website. In de advertenties zijn geen huisnummers te zien en om te reageren en vervolgens bij een uitnodiging het huisnummer te zien te krijgen moet betaald worden. En dan is het prijsmodel om reactiemogelijkheden te kopen ook nog eens heel slinks manipulatief. Één reactiemogelijkheid kost kost € 3,50 (!), maar 30 mogelijkheden kosten € 29,95. Stel je voor, als er tien huizen in plaats van één zouden worden gebouwd zou je schaalvoordelen hebben en zouden de marginale kosten lager zijn. Maar we hebben het hier over bits die door kabels worden gepompt, in dit geval zijn marginale kosten zo goed als nonexistent. Kamernet maakt misbruik van de onzekerheid in de zoektocht naar een kamer: zou ik tien reactiemogelijkheden kopen en riskeren dat ik duurder uit ben wanneer ik na tien reacties nog geen kamer heb, of zal ik er twintig voor minder kopen en riskeren dat veel reactiemogelijkheden ongebruikt blijven wanneer ik al snel een kamer heb gevonden? Volgens Kamernet zelf komt de bijdrage voor reageren ‘onder andere ten goede van marketingcampagnes om nieuwe verhuurders te werven voor de site zodat het kameraanbod voor onze leden nóg groter wordt’. Tuurlijk, alsof de bewoners van studentenhuizen die op zoek zijn naar nieuwe huisgenoten niet uit zichzelf de weg weten te vinden naar de website van Kamernet. Nota bene, de website van de Universiteit Leiden linkt zelfs naar Kamernet. Al die overbodige marketeers die ze in dienst willen nemen, afgaande op hun weblog, moeten ook ergens van eten. Maar als het aan mij ligt liever van niet het spaargeld van hardwerkende studenten.

Daarnaast leiden kosten voor het reageren op advertenties tot meer terughoudendheid bij geïnteresseerden om te reageren. Zelf besloot ik pas te dokken voor Kamernet toen ik geen andere mogelijkheden meer zeg om advertenties te vinden. Omdat ik aanneem dat adverteerders willen dat hun advertentie tot zo veel mogelijk reacties leidt (dan hebben ze immers meer keuze) benadelen adverteerders zichzelf met deze betaalmuur van Kamernet. Ik merk op dat het plaatsen van een advertentie gratis is. Maar er zijn genoeg andere zakelijke modellen die door vergelijkbare websites worden gebruikt en laten zien dat het ook anders kan. Bijvoorbeeld Marktplaats. Marktplaats biedt bijvoorbeeld ook de mogelijkheid om advertenties voor kamers te plaatsen. De tragische ironie was dat toen ik een paar weken geleden zocht op Marktplaats naar kamers in Leiden alle advertenties doorverwezen naar de advertentie op Kamernet voor die kamer om te reageren. Zucht. Maar het punt is, bij Marktplaats is reageren altijd gratis en is het plaatsen van de advertentie gratis of betaald afhankelijk van de rubriek. Marktplaats probeert ook munt te slaan uit het verkopen van extra’s, zoals het weer opnieuw bovenaan laten zetten van de advertentie.

Ik denk dat een website die bemiddelt voor studentenkamers in principe gratis zou kunnen zijn. Al die marketeers die Kamernet moet onderhouden zijn niet nodig, een website kan ook populair worden door mond-op-mond reclame. Er zijn ook succesvolle nieuwswebsites zoals bijvoorbeeld Tweakers.net die naar ik aanneem aardig wat inkomsten vergaren met advertenties die in beperkte mate aanwezig zijn en wat extra betaalde dienstverlening bieden. Facebook laat nog meer advertenties zien. Een Kamernet killer zou ook gebruik kunnen maken van advertenties als enigste inkomstenbron, in tegenstelling tot Kamernet wat nu helemaal geen advertenties (en dan bedoel ik dus banners, om verwarring te voorkomen) laat zien. Immers, een dergelijke website zou best intensief gebruikt worden door een brede, jonge leeftijdsgroep, dus dat is aantrekkelijk voor adverteerders. En het is nu ook niet zo dat de aanwezigheid van advertenties mensen ervan weerhoudt om Facebook te gebruiken, al voel ik mij wel wat… ongemakkelijk als ik weer die advertenties voor daten met single moeders te zien krijg op Facebook.  Eventueel vraag je een klein bedrag van een paar euro voor extra dienstverlening zoals een berichtenservice wanneer er een kamer beschikbaar komt die aan de zoekcriteria van een gebruiker voldoet.

Deze dominante positie die Kamernet nu heeft en het gemak waarmee dat clubje hardwerkende studenten kan uitkleden slaat nergens op en is niet nodig. Ik heb ik een steengoed zakelijk model uiteengezet voor een website die Kamernet kan doodconcurreren, het kan haast niet anders dan dat iemand hier de draad oppakt en aan het werk gaat om een concurrent te beginnen. In het onwaarschijnlijke geval dat niemand anders met mijn idee aan de haal gaat zou ik het misschien zelf oppakken, als ik tijd te veel heb.

Geen master in Utrecht maar elders

Het eerste wat ik deed nadat ik uit Nepal terugkeerde in de eerste week van mei was een afspraak maken voor mijn selectiegesprek voor de selectieve master van Bestuurs- en Organisatiewetenschap aan de Universiteit Utrecht (UU). Begin dit jaar besloot ik na de voorlichtingsavond voor de masterprogramma’s te hebben bezocht dat ik het masterprogramma Bestuur en Beleid wil volgen. Als tweede keuze had ik Publiek Management opgegeven. Het selectiegesprek vond plaats op 18 mei en verliep naar mijn idee goed, al was ik pessimistisch over mijn kansen voor de aanvang van het gesprek.  Het is een zeer kleinschalig masterprogramma wat 25 plaatsen beschikbaar heeft, en als ik mij goed herinner waren er ongeveer 20 van die plaatsen al gereserveerd voor bachelorstudenten van Bestuurs- en Organisatiewetenschap die een garantie op een plaats krijgen. Ook oversteeg het aantal aanmeldingen voor het programma het aantal plaatsen in voorgaande jaren. De procedurebeschrijving die mij werd overhandigd na afloop van het gesprek beschreef dat ik uiterlijk 24 juni een bericht zou ontvangen of ik wel of niet geplaatst was.

Ik ontving pas bericht wat later op de middag van 24 juni. De procedure had dan beter ‘op’ in plaats van ‘uiterlijk’ kunnen vermelden om kandidaten niet meer dan een maand met veel ongeduld en onzekerheid te laten wachten. Dan had altijd nog eerder een bericht kunnen worden gestuurd in het geval de uitkomst eerder bekend was. Zoals ik al had verwacht (denk je pessimistisch dan kan de werkelijkheid alleen maar meevallen) werd ik niet geplaatst. Als ik dan nu weer optimistisch denk ga ik er van uit dat deze uitkomst niet wil zeggen dat ik mijn kwaliteiten te beperkt waren, maar dat een deel van de kandidaten die zich hadden aangemeld voor dat beperkte aantal plaatsen een nog betere CV hebben. Ik kan nu nog verzoeken om in aanmerking te komen voor de selectie van het masterprogramma Publiek Management, maar daar heb ik geen zin meer in omdat ik gefrustreerd ben dat ik niet voor Bestuur en Beleid ben geplaatst.

Ik heb nu mijn zinnen gezet op een master Public Administration (vergelijkbare master met de master aan de UU) aan de Universiteit Leiden (UL) na een ochtend intensief onderzoek op het web. Allereerst ging ik eens naar de onderzoeken kijken, maar de verschillende onderzoeken blijken sterk verschillende resultaten te geven. Niet alleen zijn er grote verschillen tussen het oordeel van studenten en hoogleraren of experts, maar ook het jaar van uitvoering van het onderzoek en wie het onderzocht zijn factoren. Kijk bijvoorbeeld naar dit onderzoek naar het oordeel van studenten over masters in 2009 van Elsevier. De master Bestuurskunde van de Universiteit Maastricht staat op de eerste plaats (ik kan een master Bestuurskunde of Public Administration nergens op website van deze universiteit vinden) en daarna volgen de Vrije Universiteit (VU) in Amsterdam, de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR) en de UL. Over de hele linie vind ik het verschil triviaal en suggereerd dit dat de kwaliteit van deze master bij alle universiteiten wel in orde is. Dat beeld is blijkbaar niet veranderd volgens het meest recente onderzoek van Elsevier. Volgens een nieuwsbericht van het Leids Universitair Weekblad van deze maand scoort de UL het slechtst met een 6,9 en scoort de UU als winnaar nog geen halve punt hoger.

Dan is er ook nog onderzoek van de Keuzegids. Wat methodiek betreft baseert hun onderzoek zich ook op de oordelen van studenten en worden de VBI-rapporten met een oordeel van experts voor accreditatie van de opleiding meegenomen in het eindoordeel. De Keuzegids Masters 2011 is mij te duur met een prijs van € 25 en ik wil deze niet aanschaffen om enkel naar de resultaten van het onderzoek voor de masters van Bestuurskunde te kijken. Wel heb ik op het web nieuwsberichten en documenten gevonden op websites van de universiteiten die een indicatie geven van de uitkomst van het onderzoek. Zo heeft van de zeven onderzochte masters Bestuurskunde de UU de eerste plaats, de Radboud Universiteit (RU) de tweede plaats en de Tilburg University (TU) de vierde plaats met een score van 69. Meer kan ik niet te weten komen met Google en ik ben nieuwsgierig naar de complete uitkomsten, maar ik heb ook het vermoeden dat de verschillen in dit onderzoek niet zo groot zullen zijn. Wel biedt de Keuzegids een voorbeeldartikel aan met daarin de scores van de bacheloropleidingen Bestuurskunde. Daar is wel een groot verschil te zien, maar ik vraag mij af wat voor waarde ik aan die uitkomsten moet hechten. Het gaat natuurlijk niet over de masters, maar in mijn ervaring was het bijvoorbeeld niet bar slecht gesteld met de faciliteiten bij de opleiding Bestuurs- en Organisatiewetenschap aan de UU op het moment dat ik daar mijn minor en een paar keuzecursussen heb gevolgd.

En dan zijn er nog de accreditatierapporten van de NVAO. Er zijn positieve besluiten in te zien voor accreditatie van de masteropleidingen van de UU, VURUTU, UL, Universiteit Twente en de EUR. Als we kijken naar de data van de accreditaties heb ik ook mijn twijfels over het nut van deze bron van informatie, de visitatie van de master van de UU en bij andere universiteiten die een vergelijkbare master aanbieden was bijvoorbeeld in 2004; intussen kan er wat veranderd zijn. Ook verteld een positieve accreditatie voornamelijk dat een opleiding voldoet aan een aantal kwaliteitscriteria, maar niet hoe de opleiding zich kwalitatief verhoudt tegenover vergelijkbare masters bij andere instellingen. De website van de NVAO verwijst echter ook naar een rapport van de QANU uit 2005 dat de verschillende masters vergelijkt. Dat is vooral te veel tekst waar ik niet wijzer van wordt. Opvallend is dat er geen

Op dit moment denk ik dat een master in Leiden de beste keus is. Tijdens mijn selectiegesprek bij de UU werd hun masterprogramma mij aangeraden toen ik de docenten die ik sprak vroeg welk masterprogramma zij zouden aanraden als alternatief. Hun master Public Administration is Engelstalig, en als specialisatie zou ik misschien het Engelstalige Politics and Bureaucracy overwegen. De specialisatie (met ingang van februari 2012 straks een master op zich) Management van de Publieke Sector welke de meest populaire keuze lijkt heeft een specialisatiedeel wat Nederlandstalig is. In de eerste instantie was ik meer geneigd voor deze laatste specialisatie te kiezen, maar ik denk dat het beter zou zijn om mij te onderscheiden door wat anders te kiezen dan wat het grootste aantal mensen kiest. Daarnaast zou een Nederlandse specialisatie minder scoren op mijn CV.

Probleem is natuurlijk dat ik een goed gemotiveerde masterkeuze maken nu heel wat moeilijker is geworden omdat de voorlichtingsactiviteiten voor de masters nu allemaal al voorbij zijn. Ik was begin dit jaar te veel bezig met mijn bachelor halen en Nepal en had er niet voldoende bij stilgestaan dat mijn kans om geplaatst te worden bij een master van de UU klein zou zijn. De datum van 24 juni waarop ik bericht kreeg van mijn eventuele plaatsing bij de master van de UU was ook later dan de uiterste aanmelddatum voor de master in Leiden, namelijk 15 juni. Ik ga eerst de studieadviseur een e-mail sturen om te kijken of er wat te regelen valt. Bij de RU is aanmelden nog mogelijk tot 1 augustus, aldus de studieadviseur van hun masteropleiding (er stond namelijk geen informatie over een uiterste aanmelddatum op hun website). Ook is het spannend of andere universiteiten mijn bachelor Geschiedenis en mijn minor bij Bestuurs- en Organisatiewetenschap (verplicht voor de toelating tot de master bij de UU) wel voldoende achten voor toelating tot hun masterprogramma’s, of dat ik alsnog een pre-master zou moeten volgen! Dat is een tweede vraag voor de studieadviseurs.

Tevens las ik dat de masteropleiding Public Administration van de LU per 1 februari van Leiden naar Den Haag verhuist. Een treinreis van Leiden Centraal naar Den Haag Centraal kost weliswaar ongeveer een kwartier, maar dat is niet echt handig midden in het studiejaar en maakt de keuze voor huisvesting ook complexer. Ik twijfel voornamelijk tussen de UL en de RU. De EUR heeft mij voor mijn bachelor afgedankt, dus daar ga ik niet meer studeren. Bij de TU kwam ik niet door de selectie voor de bachelor van Bestuurskunde voordat ik besloot aan mijn bachelor Geschiedenis te volgen, dus daar wil ik ook niet studeren. Amsterdam lijkt mij ook leuk maar ik vrees hoge prijzen voor de huur van een kamer. De Engelstalige master van de UL heeft echter wel meer aantrekkingskracht.

Geen stage in het buitenland via de AIESEC

Zoals ik in mijn vorige post schreef wilde ik de laatste twee van de vier blokken van mijn huidige vierde studiejaar besteden in het buitenland. Ik dacht eerst in het buitenland te gaan studeren, maar zag daar van af en besloot in plaats daarvan een stage in het buitenland te zoeken. Ik zou het liefst de landen bezoeken die mij een maximale cultuurschok kunnen bezorgen, dus niet de Angelsaksische wereld en Europa, Latijns-Amerika eigenlijk ook niet, maar voornamelijk Afrika, het Midden-Oosten, Zuid-Azië en Zuidoost-Azië. Mooi meegenomen is dat het klimaat daar ook een stuk beter is dan in Nederland in februari, wanneer het tweede blok van het studiejaar is afgelopen.

Mijn eerste idee was om bij de AIESEC aan te kloppen om een stage in het buitenland te regelen. Dit is niet de eerste de beste organisatie zoals is af te leiden uit het Wikipedia artikel, en je komt bij hen ook niet in aanmerking voor een stage zonder enige studiepunten op academisch niveau behaald te hebben. Ze zijn in meerdere steden met een universiteit in Nederland gevestigd, waaronder ook Utrecht. Ik had al veel eerder van ze gehoord omdat ze wel eens voor het begin van een college een korte presentatie hielden om te vertellen wat voor diensten ze verlenen.

Ik stuurde hen dus een sollicitatiebrief met CV er bij, en werd uitgenodigd voor een interview. Dat interview was professioneel van opzet, op basis van de CORE-methode (het werd uitgebreid uitgelegd in een bijlage bij de e-mail die ik ontving, maar via Google kan ik er niets over vinden). Dat interview werd afgelegd door twee medewerkers, ook vrijwilligers en student, en was deels in het Engels. Dat interview ging mij heel goed af, op mijn Engels is maar zeer weinig aan te merken had ik het idee, al kost het soms wat tijd om naar de juiste woorden te zoeken. Mijn CV was ook adequaat, mijn hele academische carrière moet ongetwijfeld van doorzettingsvermogen hebben getuigd, zeker met de draai die ik er aan gaf. Mijn maatschappelijke betrokkenheid of iets dergelijks werd bewezen door wat ik had uitgespookt bij mijn lokale VVD afdeling op mijn CV te hebben gezet en toe te lichten. Een van de interviewers was vanwege zijn studie politicologie werkelijk geïnteresseerd toen ik begon over mijn ervaring met canvassen. Ik had ook goede antwoorden bedacht op de vragen waarvan ik wist dat die gesteld zouden worden in het kader van de CORE-methode, en was goed in staat die antwoorden uit een te zetten in het interview. Kortom, ik had een positieve ervaring met het interview en had er vertrouwen in dat ik zou worden geselecteerd voor bemiddeling van een stage.

Een week later (ze houden een wekelijks overleg met hun bestuur om alle sollicitanten te beoordelen als ik het goed heb) kreeg ik te horen dat ik niet was geselecteerd. Ik zou niet zelfstandig genoeg zijn, in het buitenland ben je vaak op jezelf aangewezen en zelfs mensen met meer ervaring in het buitenland hebben daar soms nog moeite mee, werd mij verteld. Specifiek werd verwezen naar wat ik had verteld over de tijd dat ik in Rotterdam op kamers woonde voor het jaar dat ik daar Bestuurskunde studeerde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Ik was daar inderdaad niet positief over geweest in het interview, ik had gezegd dat ik het niet als een leuke tijd had ervaren, en dat ik blij was om weer thuis bij mijn ouders te wonen en dat ik daar niet zelf meer moest afwassen (leve de afwasmachine) en zelf mijn eten moest kopen en bereiden. Ik had verteld dat Delfshaven helemaal geen leuke wijk was en dat ik in het complex van huurwoningen waar ik woonde alleen een overbuurman goed had leren kennen.

Blijkbaar was ik te eerlijk geweest in het interview. Gezien de focus op dit segment van het interview als rechtvaardiging voor de afwijzing was ik misschien wel geselecteerd als ik over die tijd in mijn leven meer mijn mond had gehouden. Ik had echter ook vertelt in het interview dat ik op een wachtlijst stond voor woonruimte, en dat ik daarom die zelfstandige woonruimte in dat troosteloze Delfshaven wel had moeten accepteren indien ik niet nog langer op de wachtlijst had willen staan. Ik had vertelt dat ik achteraf gezien er voor had moeten kiezen om woonruimte te delen met meerdere studenten om er een betere tijd van te maken. Misschien hebben ze wel een causale relatie gelegd tussen het feit dat ik het niks vond om op kamers te wonen en dat mijn tijd in Rotterdam eindigde met een negatief bindend studieadvies (dat had met mijn uitstelgedrag te maken) en deed dat de deur voor hen dicht.

Maar nu heb ik genoeg gespeculeerd. In het telefoongesprek waarin mij werd verteld dat het feest niet doorging wees ik er op dat volgens mij ervaringen uit het verleden geen garantie bieden voor de toekomst, maar dat bracht ons niet verder. Ik werd nog uitgenodigd voor een evaluatiegesprek, maar dat wees ik af omdat ik toch niet meer via de AIESEC aan een stage kon komen. Ik was kwaad en zelfs gekrenkt in mijn ego, hoezo gebrek aan zelfredzaamheid? Als ik er rationeel over nadenk denk ik dat zij mensen willen beschermen tegen het opdoen van een slechte ervaring. Niet alleen hebben ze mij in mijn ogen verkeerd beoordeeld, ook al is die beoordeling ongetwijfeld moeilijk te maken, ze zijn volgens mij te paternalistisch. Alsof studenten die bij de AIESEC solliciteren niet zouden verwachten dat zij in het buitenland vaak op zichzelf zouden kunnen zijn aangewezen? En zijn negatieve ervaringen met een stage in het buitenland omdat het wat zelfredzaamheid vergt dan genoeg om alle positieve ervaringen teniet te doen? Ik wijs er graag op dat falen ook een zeer leerzame ervaring kan zijn. Waarom blijkt pas bij de weigering dat zij zoveel belang hechten aan zelfredzaamheid, en wordt dat niet duidelijk uit hun andere communicatie-uitingen? Mij is een mogelijkheid om mijzelf te ontplooien geweigerd.

Ik geef mijn streven om een stage in het buitenland te bemachtigen niet op. Ik ga er een regelen, linksom of rechtsom, en dan maar zonder de AIESEC. De website van het International Office van de faculteit Geesteswetenschappen van de Universiteit Utrecht geeft aan dat er erg veel mogelijkheden zijn. Dat advies om één jaar van tevoren beginnen gaat het werk helaas niet makkelijker maken. Desnoods dan maar een stage in Nederland, ik ga liever niet aan het werk, tenzij ik bij OGD iets kan doen wat mij werkelijk interesseert, werken op een helpdesk wil ik liever niet voor een langere periode doen. Eventueel kan ik zelfs nog besluiten om nog wat meer cursussen te volgen voor mijn opleiding om het halve studiejaar te vullen.

Geen studie in het buitenland dit jaar

Alweer heb ik wat in te halen aan posts op mijn weblog, dus ik ga weer even terug in de tijd. Aan het einde van het vorige studiejaar begon ik met mijn zoektocht naar een buitenlandse universiteit om twee achtereenvolgende blokken (een half studiejaar) in het buitenland te studeren. Ik begon daar zo laat mee omdat ik twijfelde of ik de drie cursussen die ik tegelijk volgde in het derde blok van mijn derde studiejaar wel tot een goed einde kon brengen; ik ben daar in geslaagd, maar had ik bijvoorbeeld Grondslagen van de Geschiedenis niet gehaald, dan had ik die cursus in het derde blok van dit vierde studiejaar moeten herkansen. Was dat zo gegaan, dan had ik geen twee achtereenvolgende blokken meer die vrij waren om in het buitenland te studeren en was alle voorbereiding voor niets geweest. Consequentie van het late begin was dat bijna alle plaatsen die door het universiteitsbrede International Office werden aangeboden al waren vergeven, alleen het facultaire International Office van Geesteswetenschappen had nog een divers aantal restplaatsen over.

Inmiddels zag ik door de bomen het bos niet meer, maar gelukkig was de medewerker van het facultaire International Office erg behulpzaam. In tegenstelling tot het universiteitsbrede programma kon ik alleen kiezen uit universiteiten binnen Europa. Met behulp van de medewerker kwam ik te weten dat de beschikbare universiteiten in Duitstalige landen en Frankrijk, Spanje, Portugal en Italië niet eens onderwijs in het Engels aanboden, dus die landen vielen al snel af. Ligt dat aan chauvinisme, of een gebrek aan internationale oriëntatie? Interessante plaatsen in het Verenigd Koninkrijk waren al vergeven, en hadden sowieso niet mijn voorkeur omdat de Engelstalige wereld te bekend is voor mij.

Daarna raakte ik erg geïnteresseerd in het aanbod van de Universiteit van Linköping, in Zweden. Mijn probleem met alle universiteiten die ik had onderzocht, waaronder ook deze, is het beperkte aanbod aan cursussen. De Arts and Sciences faculteit (het uitwisselingprogramma liep via de faculteit Geesteswetenschappen van de Universiteit Utrecht, dus bij de ontvangende universiteit ben ik ook beperkt tot die faculteit) biedt bijvoorbeeld maar één bachelorcursus aan op het gebied van Geschiedenis die ook nog eens totaal niet interessant is. Het aanbod op het terrein van Business Studies en Political Science was veel groter en aantrekkelijk genoeg voor mij om daar twee blokken te willen studeren.

Het probleem van Zweden is echter dat het wel veel mooie blonde vrouwen heeft, maar dat het klimaat iets minder aantrekkelijk is dan in Nederland en vooral dat het prijspeil ook vergelijkbaar is met Nederland. Ik dacht, als ik toch naar het buitenland ga, dan kan het toch maar beter ergens zijn waar het goedkoop is en bij voorkeur met een beter klimaat. De impressie die het land geeft op een CV speelde ook mee, wat dat betreft zou het Verenigd Koninkrijk dus laag scoren. Wat betreft mijn financiële bezwaren had de medewerker van het facultaire International Office een goede suggestie, namelijk het zoeken van een universiteit in Oost-Europa. Zij had zelf een half studiejaar in Hongarije gestudeerd. In Oost-Europa wordt veel Engelstalig onderwijs gegeven en is het bedrag van de Erasmusbeurs (uitgaande van € 200 of € 250, dat weet ik niet zeker) genoeg om de huur te betalen. Ook zou het natuurlijk meer interesse wekken op mijn CV dan Zweden.

Uit het aanbod van restplaatsen kwam ik uit op de Universiteit van Pécs in Hongarije. Mooi meegenomen is dat deze plaats een iets beter klimaat dan Nederland heeft, maar dat maakt dus niet zo veel uit. Na heel veel e-mailen met de Erasmus (de naam van het Europese uitwisselingsprogramma via welke de de Universiteit Utrecht en de Universiteit van Pécs blijkbaar een uitwisselingsovereenkomst hebben) coördinator van de website om onduidelijkheden over het hele proces te verhelderen – het aanmeldingsformulier moest echt via de snail mail helemaal naar Hongarije verstuurd worden, e-mailen of zelfs faxen was niet mogelijk – kwam ik eindelijk bij het punt aan waarop ik alles begreep en de cursussen die ik wilde gaan volgen ging uitzoeken. Na wat e-mails werd duidelijk dat ik de Engelse Erasmus Guide (merk op dat er geen categorisering van cursussen is, het is één lange pagina waar je flink mag scrollen) helemaal niet moest gebruiken voor het uitzoeken van mijn cursussen, maar deze website die in het Hongaars is. Mijn Hongaars is helaas niet wat het moest zijn, gelukkig was er nog wel een Word-document van een paar regels bij het antwoord per e-mail bijgevoegd dat toelichtte hoe ik via alle Hongaarse woorden tot de selectie van Engelse cursussen moest komen. Alleen de cursusbeschrijvingen waren Engelstalig, de rest Hongaars, probeer er dan maar eens achter te komen in welke tijdseenheid een cursus wordt gegeven. Ook worden er gigantisch veel cursussen getoond, zonder mogelijkheden om tot een nauwkeurige selectie te komen, in een heel klein venster. Je mag je dus een ongeluk scrollen.

Toen ik na veel bloed, zweet en tranen eindelijk door had welke cursussen ik kon volgen, besloot ik maar af te zien van studeren in het buitenland. De Universiteit van Pécs had geen interessante cursussen te bieden, zeker niet op een moment dat ik (tegen die tijd) al genoeg studiepunten voor mijn bachelor in mijn zak had en mijn enige motivatie dus was om ervaring op te doen in het buitenland en tegelijkertijd nog interessante cursussen te volgen. De laatste datum voor aanmelding bij de Universiteit van Linköping was al verstreken op het moment dat ik mij dat realiseerde. Wat ook meespeelde was dat ik studiemoe was, naast drie jaar voor de bachelor van Geschiedenis had ik al twee jaar op het HBO en twee jaar op universiteiten (een jaar in Rotterdam, en een jaar extra in Utrecht) besteed. Er waren nog wel andere universiteiten in Oost-Europa, maar deze hadden ook niets interessants te bieden. Misschien had ik iets beters kunnen vinden als ik er op tijd bij was geweest, maar omdat ik toch genoeg heb van studeren wil ik liever een stage in het buitenland gaan volgen, daar zal ik later meer over schrijven.

Veel universiteiten, echt niet alleen Oost-Europese (maar wel primair uit die landen en enkele Oost-Aziatische landen), waarvan ik de websites heb bezocht hebben gigantisch slecht ontworpen websites. Alsof hun website ontwerpers nog nooit van usability hebben gehoord. In mijn zoektocht heb ik te maken gehad met slechte en vooral half vertaalde websites, informatie die simpelweg ontbreekt, een onduidelijke hiërarchie van de website en een lang of heel onduidelijk pad van links door de hiërarchie van de website vanaf de beginpagina naar de pagina met de voor studenten van uitwisselingsprogramma’s relevante informatie. Dan heb ik het vooral over welke Engelstalige cursussen ik kan volgen als student van een uitwisselingsprogramma. Die informatie is belangrijker dan alle informatie voor buitenlandse studenten over procedures, hoe het leven in het land van de universiteit is, enzovoort. Cursusinformatie moet het meest eenvoudig beschikbaar zijn, als ik die informatie heb verwerkt kan ik beslissen of ik wel of niet in die universiteit geïnteresseerd ben en of ik de overige relevante informatie wil raadplegen. Veel websites lijken er op te rekenen dat het denkproces van de student (ik neem aan dat andere studenten ook in mijn volgorde denken) andersom gaat. Ik heb tijdens mijn zoektocht naar een buitenlandse universiteit tientallen websites van universiteiten bekeken, en het heeft mij zoveel frustratie opgeleverd dat ik inmiddels de ontwerper van de website van de Universiteit van Linköping wil aanbidden, verafgoden en doodknuffelen. Want die website is absoluut het beste voorbeeld van een website van een universiteit die ik heb gezien. De hiërarchie van die website is simpel, duidelijk, en binnen een paar minuten kan ik zien welke cursussen ik kan volgen.

Nog meer marktverstoring: de vaste boekenprijs

Het eerste blok van dit studiejaar liep af op 12 november. Mijn stage is weliswaar nog niet afgerond vanwege vertraging en uitstel en de nieuwe inleverdatum voor het eindrapport heb ik vastgesteld op 1 december, maar dat is een ander verhaal. Dus was het weer eens tijd om voor het volgende blok boeken in te slaan.

Ik volg dit tweede blok twee cursussen, Strategisch Management (met, jawel, de afkorting SM) bij de opleiding Bestuurs- en Organisatiewetenschap en Ideologieën in de 19de en 20ste eeuw bij Geschiedenis. Ik volg deze cursussen puur vanwege interesse en om mijzelf bezig te houden, zodra ik de studiepunten voor mijn stage krijg toegekend dan heb ik al genoeg voor mijn bachelor. Voor deze cursussen moet een flink bedrag worden besteed aan boeken.

Strategisch Management:

  • C.A.M. Mouwen (2004). Strategische planning voor de moderne non-profit organisatie.
  • H. Mintzberg (1999). Strategie-safari.

Ideologieën in de 19de en 20ste eeuw:

  • Andrew Heywood (2007). Political Ideologies. An Introduction.
  • Michael Freeden (2003). Ideology. A very short Introduction.
  • Daniel Bell (2000). The End of Ideology: On the Exhaustion of Political Ideas in the Fifties.

Het eerst ging ik eens kijken naar de boeken voor Strategisch Management. De vergelijkingssite Vergelijk.nl laat zien dat voor Strategische planning de prijzen variëren van € 29,90 tot € 34,45. Als verzendkosten buiten beschouwing worden gelaten is het zelfs nog minder: € 29,90 en € 32,50 omdat de goedkoopste aanbieder gratis bezorgt en de duurste dus € 1,95 aan verzendkosten rekent. Voor Strategie-safari geldt hetzelfde, en is er nog minder verschil met € 39,95 met gratis bezorging en € 39,95 en € 1,95 verzendkosten (met uitzondering van een dubieuze prijsstunter die € 31,96 met € 6,02 voor verzendkosten rekent).

Mijn eerste idee was om een bericht te sturen naar een verkoper van een tweedehands exemplaar van de eerste druk van Strategie-safari op bol.com (de recentste is de tweede druk) met het verzoek of hij zijn prijs kon verlagen. Maar mijn bericht werd niet geaccepteerd, wat ik ook probeerde. Contact met de helpdesk wees het volgende uit:

U geeft aan dat u geen e-mail kunt sturen naar de verkoper van een boek. Onze website is beveiligd met een filter, waardoor het niet mogelijk is over de prijs te onderhandelen via onze website. Dit is de reden dat het u niet lukt de e-mail te verzenden.

Dat bol.com denkt te mogen beperken wat ik mag vragen aan mensen die via hun website een tweedehands boek te koop aan bieden maakte mij zo razend dat ik besloot om nooit meer iets bij deze (toch al relatief dure) internetwinkel te kopen. Ik ondernam daarna een poging om via Marktplaats aan een tweedehands exemplaar te komen, maar het enige exemplaar dat daar werd aangeboden vond ik met een prijs € 25 voor de eerste druk te duur. Ik bedacht toen dat Strategie-safari een vertaling is van het Engelse boek genaamd, hoe verrassend ook, Strategy Safari. En ik heb totaal geen problemen met het lezen van een Engels boek. Bij bol.com is de Engelse titel te koop voor € 30,99 tegenover € 39,95 voor de Nederlandse vertaling. Misschien moet ik maar eens Engelse boeken gaan vertalen, daar kun je dan blijkbaar erg rijk mee worden. Maar daar heb ik geen illusies over, dat geld zal wel weer verdwijnen in de zakken van een of andere hebberige uitgever.

In het Verenigd Koninkrijk zijn de boekenprijzen vaak nog flink wat lager wist ik uit ervaring, dus bekeek ik eens met behulp van een internationale prijsvergelijker voor boeken hoe duur Strategy Safari daar was. Uiteindelijk heb ik het besteld bij The Book Depository voor € 23,85 inclusief verzendkosten. Dat is andere koek. Strategische planning is een Nederlands boek waar ik geen tweede hands exemplaren van kon vinden, dus besloot ik het te halen bij de studievereniging van Bestuurs- en Organisatiewetenschap, Perikles, in de wetenschap dat zij studieboeken met een flinke korting kunnen aanbieden. Maar met een prijs € 29,25 kwam ik bedrogen uit, dat is vijf eurocent meer dan de goedkoopste internetwinkel (inclusief bezorging).

Als ik dat had geweten had ik zonder twijfel voor de internetwinkel gekozen, ook al is het verschil maar vijf eurocent. Een boek via de internetwinkel bestellen kost hoogstens vijf tot tien minuten, maar voor de boekverkoop van de studievereniging moest ik eerst flink wat lopen door het centrum van Utrecht en ook nog eens een kwartier wachten voordat ik het boek in handen had. Ik wil studieverenigingen daarmee niet in diskrediet brengen, ik ben er dankbaar voor dat zij die dienst leveren. Je weet dan echter wel dat het meer kost.

Dan de boeken van de cursus Ideologieën in de 19de en 20ste eeuw. De UHSK, de studievereniging voor Geschiedenis, biedt die drie boeken in totaal aan voor € 59,87, maar ik heb ze gekocht voor € 50,06 (inclusief verzending), wederom bij The Book Depository.

Dan nu de verklaring waarom wij in Nederland worden afgezet. De Wet op de Vaste Boekenprijs is de boosdoener, deze dicteert dat Nederlandse boeken niet verkocht mogen worden voor een prijs die lager is dan de prijs die is vastgesteld door de uitgever van het boek. De uitzondering zijn studieverenigingen die studieboeken met maximaal %10 korting mogen verkopen aan studenten. En het Verenigd Koninkrijk heeft haar wet voor vaste boekenprijzen dus afgeschaft, wat het verschil verklaart. De motivatie voor de wet is de ‘bevordering van een ruim gespreid en breed aanbod’. Maar uit onderzoek verricht in 2001 blijkt dat een vaste boekenprijs ‘een negatieve invloed kan hebben op de betaalbaarheid van schoolboeken, terwijl het niet aanwijsbaar bijdraagt aan een breed titelaanbod en aan de kwaliteit van schoolboeken voor het voortgezet onderwijs’. Om nog maar niet te spreken van de ruim 8 miljoen boeken die in 2006 alleen al in het Centraal Boekhuis werden vernietigd. Een ander onderzoek van het Centraal Planbureau noemt als enige nadeel dat kleine boekhandels mogelijk kopje onder gaan omdat ze de concurrentie met bijvoorbeeld supermarkten niet zouden aankunnen bij het afschaffen van de vaste boekenprijs. In hetzelfde persbericht van het CPB wordt ook verwezen naar een internationaal vergelijkend onderzoek dat ook geen overtuigende voordelen ziet.

Daarnaast denk ik uit liberaal politiek perspectief dat dit nog een geval van ongewenste marktverstoring is. Ik zie na het lezen van de onderzoeken niet in waarom er noodzaak is voor deze ingreep in de markt door de overheid. En als de concurrentiepositie van kleine boekhandels wordt genoemd als nadeel dan denk ik dat die helemaal niet beschermd moeten worden, we leven in een kapitalistische samenleving waarin je nu eenmaal het risico loopt als onderneming om failliet te gaan als er geen vraag is naar je producten. In andere bedrijfstakken zoals de videogameindustrie is dat normaal, maar voor boeken maken we blijkbaar een uitzondering omdat boekhandelaars zielig zijn.

Ondertussen zal ik zelf zoveel mogelijk mijn boeken bij de Britse internetwinkels aanschaffen, ik ben niet op mijn achterhoofd gevallen en stem met mijn portemonnee, en ik spoor iedereen aan hetzelfde te doen. De wetgever moet niet denken dat wij achterlijk zijn. Als er ergens een land is waar de keiharde homo economicus leeft dan is het wel in Nederland, met zijn combinatie van studenten en Hollandse zuinigheid, toch? Op serieuze noot, wie zou geïnteresseerd zijn in een burgerinitiatief om de vaste boekenprijs te torpederen?

Stageplaats bij gemeente Utrecht

Sinds 1 september ben ik gestart als stagiair bij de gemeente Utrecht, bij de Projectorganisatie Stationsgebied (POS) om precies te zijn. Ik mag een onderzoek verrichten naar de vraag hoe de samenwerking tussen de Jaarbeurs en de gemeente Utrecht zich ontwikkelde door de jaren heen uit bestuurlijk en stedelijk perspectief. Het onderzoek begint bij 1917, het jaar waarin de Jaarbeurs werd opgericht. Het onderzoek sluit dus precies aan bij de twee opleidingen die ik volg, Geschiedenis en Bestuurs- en Organisatiewetenschap (de laatste natuurlijk alleen als minor voorlopig, maar straks als master). Ik had mij geen betere stageplaats kunnen wensen. Deze stage zal tot 12 november duren, en als ik de studiepunten voor deze stage binnen heb zal ik er genoeg hebben om mijn bachelor aan te kunnen vragen.

Ik heb afgesproken dat ik 40 uur per week werk om aan de eisen te voldoen van mijn opleiding aan de stage. Een 40-urige werkweek eist wel wat… gewenning. Na acht werkdagen bevallen mijn collega’s mij goed. Het onderzoek zelf gaat niet van een leien dak. Bij voorgaande onderzoeken die ik uitvoerde tijdens de opleiding Geschiedenis heb ik voornamelijk secundaire literatuur gebruikt of primaire bronnen, zonder ooit het archief te hebben geraadpleegd. Voor dit onderzoek zal ik bijna alleen maar het archief moeten raadplegen. De informatie is ook nog eens verspreid over verschillende archieven. Het Utrechts Archief heeft een archief van de Jaarbeurs met informatie van het beleidsarchief dat ophoudt bij 1960 en van het uitvoeringsarchief dat ophoudt bij 1980. Het archief bevat 4.843 beschreven dossiers, en vanwege de tijdelijke huisvesting van het archief aan de Archimedeslaan in Utrecht is het helaas niet mogelijk om meer dan vijf archiefstukken per dag te reserveren. Waarschijnlijk zal maar een zeer beperkt deel van het archief relevant zijn voor mijn onderzoek, maar de beperking van vijf archiefstukken per dag maakt mijn onderzoek wat moeilijker uitvoerbaar. Het deel van het archief dat niet in handen is van het Utrechts Archief is waarschijnlijk nog in handen van de Jaarbeurs zelf. Daarnaast heeft de gemeente Utrecht en de POS zelf ook nog een archief.

Het gebruik van archieven, ook nog eens meerdere, maakt mijn werk er niet gemakkelijk op, maar het is wel een uitdaging. Ook zal ik mijn kennis op het gebied van Bestuurskunde en Organisatiewetenschap wat moeten opvijzelen om de samenwerking tussen de gemeente en de Jaarbeurs te analyseren, op dit moment heb ik daar nog niet zoveel kennis van. Ik had bijvoorbeeld een onderzoek gelezen van een andere stagiair die de samenwerking tussen de gemeente, Tivoli en SJU inzake het toekomstige Muziekpaleis onderzocht, en daar de conflictbenadering hanteerde om de samenwerking te analyseren. De exacte literatuurverwijzing die werd gegeven in het onderzoek weet ik even niet uit mijn hoofd, maar zie bijvoorbeeld [1,2]. Het onderzoek van die stagiair was zeer inspirerend om te lezen en een goed voorbeeld van hoe mijn eigen onderzoek zou moeten worden gepresenteerd, ook al is mijn onderzoek veel omvangrijker en verschilt het qua inhoud. Ik verwacht vergelijkbare kennis te moeten kunnen toepassen in mijn onderzoek. Ik al wel bekend met de toepassing van de procesbenadering [3] door de gemeente Utrecht in de samenwerking met haar partners om het stationsgebied te vernieuwen. Het Stationsgebied werd als voorbeeld aangedragen bij een college van de cursus Bestuurskunde die ik volgde als onderdeel van de minor van Bestuurs- en Organisatiewetenschap.

Referenties:

  1. P. Huguenin. Conflicthantering en onderhandelen: effectief handelen bij conflicten en tegenstellingen (2004) p. 61.
  2. J. Gerrichhauzen, A. Kampermann en F. Kluytmans. Interventies in organisatieverandering (1994) , p. 178.
  3. H. de Bruijn, E. ten Heuvelhof en R. in ’t Veld. Procesmanagement. Over procesontwerp en besluitvorming (2008).

De vuistregel in de wetenschap: ouder is vaak slechter

Bij mijn vorige post werd een reactie geplaatst door Johan Nijhof die mij lang heeft doen laten nadenken. Omdat de reactie iets afweek van het onderwerp van mijn post en vanwege de omvang van dit onderwerp schrijf ik nu een nieuwe post om op de reactie te reageren.

In de reactie worden twee personen geciteerd, Christiaan Snouck Hurgronje en Jacob Burckhardt. Burckhardt is een bekende naam voor mij omdat hij behandelt werd in de literatuur van de cursus Grondslagen van de Geschiedenis die ik had gevolgd, hij is bekend voor zijn bijdragen aan de kunst- en cultuurgeschiedenis. Het is merkwaardig om deze man als islamhistoricus te beschrijven, in zijn Wikipedia artikel lees ik helemaal niets over zijn werk met betrekking tot de islam. Ik was dus benieuwd waar dat citaat van Burckhardt vandaan kwam.

Google is je beste vriend, dat wordt alweer eens duidelijk als je een zin van het citaat aan Google voert. Allereerst is het grappig om te zien dat mijn weblog dan bovenaan staat in de zoekresultaten, dat streelt mijn ego. Dat terzijde, de zoekresultaten wijzen naar een aantal interessante opinies, deze en deze blogposts op de website van de International Civil Liberties Alliance en deze blogpost op de website van het NRC Handelsblad, waar Johan ook heeft gereageerd en ook Hurgronje en Burckhardt aanhaalt. Ook wijst Google op deze post op een ander weblog, maar die bevat dezelfde opinie als de tweede weblogpost van de ICLA. Het blijkt dus dat Johan de tekst van de tweede voetnoot van de eerste weblogpost van de ICLA heeft overgenomen in zijn reactie. Niets mis mee, maar vermeld dan wel a.u.b. naar goed gebruik de plaats waar de informatie vandaan komt. Bij mijn opleiding is het zo dat citaten zonder bronvermelding als plagiaat worden gezien, wat volkomen terecht is.

De eerste weblogpost van de ICLA geeft als bronvermelding voor het citaat van Burckhardt de tweede weblogpost, die weer hoofdstuk 22 en 23 van het boek Judgments on History and Historians uit 1929 opgeeft. De bronvermelding leidt naar de digitale publicatie van het boek op de website van de Online Library of Liberty. In het voorwoord lezen we dat het boek is samengesteld uit de notities en manuscripten voor colleges die Burckhardt op de Universiteit van Basel gaf tussen 1865 en 1885. Laten we even de vertaling van de bron in de weblogpost en de originele Engelse tekst uit het boek naast elkaar leggen. Eerst de Nederlandse vertaling:

De islam-historicus Jacob Burckhardt stelt: Alle religies zijn exclusief, maar de islam is dat bij uitstek. Deze ontwikkelde zich onmiddellijk tot een staatsvorm die versmolten is met de eigen religie. De Koran is daarvan het spirituele en seculiere wetboek. Diens statuten omvatten alle terreinen van het leven… en blijven vaststaand en onvervormbaar; de bijzonder bekrompen Arabische geest dringt zich op aan vele andere volken en kneedt ze dan voorgoed naar haar eigen vorm (een totale, allesomvattende spirituele gevangenschap!).

En dan de Engelse:

All religions are exclusive, but Islam is quite notably so, and immediately it developed into a state which seemed to be all of a piece with the religion. The Koran is its spiritual and secular book of law.

(1) Its statutes embrace all areas of life, as Döllinger states, and remain set and rigid; the very narrow Arab mind imposes this nature on many nationalities and thus remolds them for all time (a profound, extensive spiritual bondage!)

Ik acht de vertaling natuurgetrouw, het was belangrijk dat even vast te stellen omdat de betekenis nog wel eens verdraaid kan raken door vertaling, en hou er rekening mee dat de bron ook nog eens in het Engels vertaald Duits is.

Burckhardt vertelt in feite dat de islam meer exclusief is dan andere religies, geen scheiding tussen kerk en staat kent, haar wetgeving onveranderbaar en rigide is. Kortom, een bewering die je met uitzondering van de opmerking over de Arabische geest serieus zou nemen, zeker als je de reputatie van Burckhardt in ogenschouw neemt. Allemaal beweringen die potentieel serieus zouden kunnen worden genomen als een historicus ze vandaag zou uiten. Als ze waar zouden zijn.

Maar Burckhardt voegt daar een waardeoordeel over de ‘narrow Arab mind’ aan toe. Dat is laakbaar vanwege de afbreuk die het doet aan het wetenschappelijke karakter en omdat het een beledigende, racistische generalisering is. Iets verder schrijft hij:

It is a low religion of slight inwardness, although it can combine with whatever asceticism and religious absorption it now and again finds among the nations.

Het mag wel duidelijk zijn dat Burckhardt met zijn beledigingen niet voldoet aan onze wetenschappelijke standaarden. Burckhardt is na het lezen van de tekst in mijn achting gedaald, maar ik ben niet verbaasd. Burckhardt schreef dit tussen tussen 1865 en 1885, in een tijdperk waarin de wetenschap niet werd bedreven conform onze huidige maatstaven. Dergelijke uitingen van bevooroordeeldheid en superioriteitsgevoelens van het westen waren voor veel wetenschappers niet vreemd. In dat opzicht is Burckhardt een oriëntalist omdat hij de oriënt (het oosten, de islam) als achterlijk veroordeelt in vergelijking met zijn eigen westerse beschaving. Ter illustratie, hetzelfde is gebeurd met Alexander de Grote. In de negentiende en zelfs de twintigste eeuw werd hij onder invloed van het westerse imperialisme gezien als een held die de het barbaarse oosten beschaving bijbracht. Met de ontwikkeling van de geschiedwetenschap in de twintigste eeuw zijn historici met een meer objectieve blik naar hem gaan kijken, en kwamen zij tot zowel een veel negatiever als een meer genuanceerd beeld. De visies van historici op Alexander werden voor een belangrijke mate bepaald door het politieke klimaat van hun tijd.[1]

Het zeer bezwaarlijk is om Burckhardt als autoriteit te gebruiken. Voor Snouck Hourgronje geldt tot op zekere hoogte hetzelfde. Hoewel hij wel een islamoloog en arabist is en geen beledigingen uit, leefde hij van 1857 tot 1936. We kunnen daarom op basis van de ontwikkeling van de wetenschap in die tijd twijfelen over de juistheid van zijn methode om wetenschap te bedrijven. Tenzij je er goede redenen voor hebt, gebruik je hem daarom niet als bron, maar de moderne kennis van de islamologie. Een belangrijk principe in de wetenschap is ‘standing on the shoulders of giants’, voortbouwen op eerder opgedane kennis. Zelf als hij het bij het juiste eind heeft, dan zegt dat alleen iets over de islam zoals die was tot 1936, en niets over de islam nu. Dat geldt ook voor Burckhardt natuurlijk.

Wat de originele auteur van de weblogpost, Kent Ekeroth, dus doet is het misbruiken van de reputatie van Burckhardt om zijn argument wit te wassen, om het geloofwaardiger te maken door het wetenschappelijke legitimiteit te verschaffen (er wordt natuurlijk niet voor niets opgemerkt dat het een citaat is van een ‘islamhistoricus’). In werkelijkheid is het niet meer dan misleiding omdat Burckhardt geen autoriteit mag worden toegedicht om te oordelen over de islam. Mensen die geen aandacht besteden aan de gebruikte bronnen zullen er intuinen, zoals Johan. Mijn mening over de islam zal ik geven in een volgende post.

Referenties:

  1. Strootmans, Rolf. Alexander de Grote: held of hufter? In: Aanzet, 21.2 (2005), p. 38-42.