De kluizen in de Letterenbibliotheek

De laatste tijd bezoek ik de Letterenbibliotheek intensief omdat ik deze periode een paper moet schrijven voor de cursus Onderzoeksseminar 2. Het is verplicht om in de Letterenbibliotheek tassen en rugzakken op te bergen in een kluis, die met een sleutel kan worden gesloten nadat er een munt van 50 eurocent is ingeworpen. Het stompzinnige is echter dat de kluizen wel een naam hebben, maar de sleutels niet. Als je dan een hele dag in de bibliotheek hebt doorgebracht heb je kans dat je niet meer precies weet waar jouw kluis zich bevond. Dat gebeurde mij dus gisteren. Zo goed en kwaad als het ging begon ik op wijze van trial and error mijn kluis te vinden door alle kluizen die ongeveer in de buurt lagen te openen. Toen ik eindelijk na ongeveer vijf minuten een kluis open kreeg, bleek het tot mijn verbazing en schrik niet mijn kluis te zijn! Ik had zomaar toegang tot de eigendommen van een andere student. Snel gooide ik de munt er weer in om deze kluis te sluiten, en gelukkig vond ik daarna snel mijn eigen kluis.

Omdat ik bang was om in de problemen te komen en ook enigzins beschaamd omdat ik het nummer van mijn kluis niet had onthouden (of hebben meer mensen daar last van?) heb ik het personeel van de Letterenbibliotheek niet op de hoogte gestelt, maar dit doet mijn vertrouwen in de kluizen geen goed. Maar ik vraag mij af, hoe was het mogelijk? Was de variatie in de vorm van de sleutels en sloten van de verschillende kluizen zo klein, dat het mogelijk is om (na slijtage in de loop der tijd?) met een sleutel een andere kluis te openen dan de bedoeling is? Of is dit onderdeel van het ontwerp van de sloten en sleutels van de kluizen? Zouden er in de fabriek een beperkt aantal unieke kluizen worden geproduceerd, die samen worden geassembleerd in de grote behuizingen, en waren er per ongeluk misschien twee identieke kluizen dicht bij elkaar in dezelfde behuizing geplaatst?

Nutteloos academisch onderzoek?

Met veel interesse lees ik altijd het Ublad, het weekblad van de Universiteit Utrecht. Recent las ik dit interview met hoogleraar Sonja de Leeuw, hoogleraar Film en Televisie. Haar idee om reclame op de publieke omroep af te schaffen is prediken voor eigen kerk, en de belastingbetaler mag er voor opdraaien. Een publieke omroep zonder reclame betekent totale onpartijdigheid volgens De Leeuw. En de overheid moet garanderen dat iedereen toegang heeft tot onafhankelijke informatie, kunst en cultuur. Ik weet niet wat haar definitie van onafhankelijkheid is, maar ik zie niet hoe overheidsingrijpen en de afwezigheid van reclame onafhankelijkheid kunnen garanderen. Ook de publieke omroep is gekleurd, met of zonder reclame. Of het gerechtvaardigd is of niet, je hoort genoeg mensen klagen over het vermeende linkse karakter van het NOS Journaal.

Maar de reden dat ik deze post schrijf is het onderzoek dat deze hoogleraar verricht, het onderzoeken van de Nederlandse televisiecultuur in internationale context. Ik noem dit onderwerp van onderzoek enkel om een voorbeeld te illustreren, het gaat mij niet specifiek om dit onderzoek. Want ik lees over veel meer onderzoek waar ik mij bij afvraag, wat is nu het rendement van dit onderzoek? Vaak heb ik het idee dat sommige takken van onderzoek nutteloos zijn, en dat het enkel wordt uitgevoerd om wetenschappers van de straat te houden. Onderzoek naar bijvoorbeeld energieopwekking door kernfusie kan ons in de toekomst misschien een superieure techniek van energieopwekking opleveren en daar wordt terecht veel geld aan besteed. Maar wat levert het antwoord op de vraag of de exacte wetenschappen of bijbelkritiek de aanzet gaven tot het proces van secularisatie in de zeventiende eeuw ons op? Weinig, denk ik, en in tegenstelling tot de exacte wetenschappen zullen er ook na het onderzoek meningsverschillen over het onderwerp zijn. Maar de NWO deelt er wel een subsidie van € 415.000 voor uit. Zouden wetenschappers niet beter moeten nadenken over de maatschappelijke relevantie van hun onderzoeksvragen?