Een kiesdrempel vergroot de politieke slagkracht niet

Benk Korthals, de partijvoorzitter van de VVD, wil een kiesdrempel van twee procent. Hij wijst er op dat vijf van de elf partijen in de Tweede Kamer minder dan tien zetels hebben. In de woorden van Korthals zelf:

Het mag mooi zijn dat vrijwel iedereen in Nederland zich vertegenwoordigd mag weten, maar de vraag is gerechtvaardigd of de politiek in het huidige tijdsgewricht niet te veel aan slagkracht inboet.

Ik denk dat dit een slecht plan is en heb daar vier argumenten voor.

Potentiële consequenties en hun onwenselijkheid

De Tweede Kamer telt 150 zetels. Twee procent van 150 zetels is drie zetels. Kijken wij naar de uitslag van de verkiezingen van 2012, dan zien wij dat er maar twee partijen zijn die minder dan drie zetels hebben: de Partij voor de Dieren (2) en 50Plus (2).

Dus dan zouden de overige partijen maar vier (!) extra zetels te verdelen hebben. Een andere blogger heeft al aangetoond dat een kiesdrempel pas voor noemenswaardige veranderingen zorgt als deze hoger is dan 7,5 procent. Naast dit praktische bezwaar vind ik het democratische bezwaar nog belangrijker.

De mogelijkheid dat kleine partijen in ons politieke systeem toegang kunnen krijgen tot de Tweede Kamer versterkt onze democratie omdat zij de grote partijen scherp kunnen houden. De Partij voor de Dieren krijgt disproportioneel veel media-aandacht omdat zij zich met haar standpunten goed weet te onderscheiden. Zo heeft de partij recent een natuurgebied gekocht, maar ik wil vooral wijzen op het verbod op ritueel slachten. Het initiatiefvoorstel van de partij werd met amendementen aangenomen in de Tweede Kamer maar afgewezen door de Eerste Kamer.

50Plus is wat minder succesvol, maar de gevestigde partijen moeten wel voorzichtiger zijn met maatregelen die niet in goede aarde vallen bij hun oudere kiezers. Die kunnen immers overstappen naar 50Plus als de gevestigde partijen in hun ogen te ver gaan. De kleine partijen zorgen voor nog sterkere concurrentie en dat is een goede zaak.

Deze kleine fracties, de Partij van de Dieren in het bijzonder, hebben wel degelijk invloed. Ook al zijn ze oppositiepartijen met maar twee zetels. Ik ben er van overtuigd dat er een verschraling van het politieke landschap zou optreden als deze partijen weggewerkt worden door een kiesdrempel.

Een kiesdrempel is diefstal

Mijn andere bezwaar is dat het concept van een kiesdrempel pure diefstal van stemmen is. Stemmen van kiezers op kleine partijen die de kiesdrempel niet halen worden simpelweg verdeeld over de grote partijen. Zij hoeven daar niets voor te doen, behalve groot genoeg worden.

Als er bij het stemmen een optie zou zijn om een tweede en/of derde partij op te geven als de partij van de eerste voorkeur de kiesdrempel niet haalt zou een kiesdrempel voor mij meer acceptabel zijn. Maar voor zo ver ik weet bestaat zoiets niet in de praktijk en ik hoor Korthals dat ook niet voorstellen.

En ja, ik weet dat de kiesdeler in feite al zorgt voor een kiesdrempel van één zetel. Maar dat zie ik niet als diefstal, eerder als noodzaak. Je kunt immers niet een halve zetel behalen.

Waarom is er een gebrek aan slagkracht?

Korthals legt niet uit waarom een groot aantal politieke partijen de politieke slagkracht verzwakt. Daarom lijkt het mij vooral een oplossing die op zoek is naar een probleem. Voordat wij hier verder over nadenken moeten we eerst duidelijk maken wat politieke slagkracht is. Mijn definitie voor politieke slagkracht zou zijn: de mate waarin een politieke partij haar wensen voor beleid kan realiseren.

Het is echter onmogelijk om het concept met deze definitie te meten. Laat ik daarom vier simpele criteria hanteren:

  1. Het volledig afmaken van de parlementaire periode van vier jaar.
  2. Hoogstens drie partijen in het kabinet. Dit maakt overeenstemming vinden eenvoudiger.
  3. Een meerderheid in de Tweede Kamer.
  4. Een meerderheid in de Eerste Kamer.

Laat ik drie voorbeelden geven van naoorlogse kabinetten die aan alle criteria behalve het tweede voldoen: de kabinetten Drees IIDe Quay en de De Jong. Ze bestonden uit vier partijen, meer dan de drie partijen die de laatste decennia genoeg waren voor een kabinet. In de verkiezingen voor deze drie kabinetten in 1952, 1958 en 1967 behaalden respectievelijk acht, zeven en tien partijen zetels in de Tweede Kamer.

Ik heb zojuist op Parlement & Politiek alle artikelen gelezen over de verschillende naoorlogse kabinetten en de eventuele redenen voor hun val. Ik zie een patroon: het aantal partijen in de Tweede Kamer heeft niets te maken met de val van een kabinet. Een val werd (bijna?) altijd veroorzaakt door coalitiepartijen die een onoverbrugbaar meningsverschil hadden met andere coalitiepartijen. En als er regelmatig een succesvolle coalitie werd gevormd door vier partijen, is er dan echt een probleem van kleine partijen die te veel zetels in handen hebben?

Het huidige kabinet Rutte II zou in principe heel slagvaardig kunnen zijn volgens ons tweede criterium. Het bestaat immers alleen uit de VVD en de PvdA. Het eerste criterium moet nog blijken, maar in tegenstelling tot de andere drie kabinetten voldoet Rutte II niet aan het vierde criterium.

De Eerste Kamer als oorzaak van het probleem

Het verbaasde mij dat Korthals een kiesdrempel als oplossing zag terwijl al vaak genoeg is gezegd dat de Eerste Kamer het grootste probleem is voor Rutte II. Dat zou opgelost kunnen worden door de Eerste Kamer af te schaffen. Ik wijs er graag op dat landen zoals Noorwegen, Zweden en Finland een eenkamerstelsel hebben. Ook is het mogelijk om de leden van de Eerste Kamer anders te kiezen.

Nu worden de leden van de Eerste Kamer gekozen door de leden van de Provinciale Staten, welke weer worden gekozen door het volk. De verkiezingen voor de Provinciale Staten vinden vaak plaats in andere jaren dan de verkiezingen voor de Tweede Kamer. Zo kan de samenstelling van de Eerste Kamer nogal verschillen van de samenstelling van de Tweede Kamer, zoals nu het geval is. Dit zou opgelost kunnen worden door de leden van de Eerste Kamer te laten kiezen door de leden van de Tweede Kamer. Of direct door het volk tegelijkertijd met de verkiezingen voor de Tweede Kamer.

Wellicht het beste voorbeeld wat ik kan bedenken om aan te geven dat de Eerste Kamer het probleem is en een kiesdrempel er niets mee te maken heeft zijn de Verenigde Staten. Obama is een Democraat, maar de Democraten hebben alleen een meerderheid in de Senaat (vergelijkbaar met onze Eerste Kamer). In het Huis van Afgevaardigden (vergelijkbaar met onze Tweede Kamer) hebben de Republikeinen een meerderheid. Zo zijn de Republikeinen in staat alle wetgeving te blokkeren.

Hoewel de Verenigde Staten geen kiesdrempel hebben is er wel een districtenstelsel, wat in de praktijk betekent dat er een tweepartijenstelsel bestaat waarin bijna alle gekozen kandidaten Democraten of Republikeinen zijn. En toch is de politieke slagkracht ronduit slecht, zoals wij hebben gezien bij de fiscal cliff. Als een van de partijen wel het presidentschap, de Senaat en het Huis van Afgevaardigden in handen heeft is er wel politieke slagkracht, maar is het kiesstelsel nog altijd onrechtvaardig vanwege het districtenstelsel.

Eén gedachte over “Een kiesdrempel vergroot de politieke slagkracht niet”

  1. Uitstekend betoog. Ik erger mij telkens aan die politici die weer met het ondoordachte idee van een kiesdrempel komen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *