politiek

Wat te doen met controversiële standbeelden?

In de afgelopen jaren heeft controverse over foute historische personen waar straten naar zijn vernoemd of standbeelden voor zijn opgericht sporadisch de media gehaald. Na de dood van George Floyd op 25 mei hebben antiracismeprotesten kritieke massa gekregen en is de strijd tegen foute standbeelden en straatnamen verhevigd. Zo is in Bristol een standbeeld van slavenhandelaar Edward Colston in de haven gegooid door demonstranten. In België zijn meerdere standbeelden beklad van koning Leopold II, die verantwoordelijk was voor een koloniaal terreurbewind in Congo-Vrijstaat (nu de Democratische Republiek Congo). Een standbeeld van Leopold II in Ekeren dat werd beschadigd is inmiddels verwijderd en keert waarschijnlijk niet meer terug. Het is wat mij betreft terecht dat mensen met een migratieachtergrond en anderen het zat zijn en nu in actie komen.

In de twee nieuwsberichten over de standbeelden van Leopold II komen ook twee tegenstanders van verwijdering van de standbeelden aan het woord. Zo stelt burgemeester Tommelein van Oostende dat racisme niet verdwijnt door het weghalen van standbeelden. Dit argument is een stroman omdat niemand zo naïef is om te denken dat racisme dan zou stoppen. Een ander argument dat hij geeft is dat Leopold II een belangrijke rol speelde voor Oostende (de koning had een villa in deze stad). Ook zou het informatiebord bij het standbeeld waarin de rol van de koning in Congo-Vrijstaat wordt toegelicht volgens hem voldoende zijn. Een andere tegenstander vindt dat iedereen fouten maakt, niet alleen Leopold II. Noah, een voorstander van verwijdering met een Congolese achtergrond, stelt dat onvoorstelbaar zou zijn dat er in Berlijn een standbeeld van Hitler zou staan.

In Nederland werd het standbeeld van Jan Pieterszoon Coen in Hoorn al vaker beklad. Coen was verantwoordelijk voor de dood van duizenden inwoners van de Banda-eilanden (in het hedendaagse Indonesië) omdat zij zich niet hielden aan het monopolie dat de VOC had afgedwongen op de nootmuskaat die daar verbouwd werd. Hij heeft de veelzeggende bijnaam “de slachter van Banda”. Toch staat zijn standbeeld er nog steeds, weliswaar met een tekst op het sokkel dat de massamoord op de Banda-eilanden benoemt. Al in 2012 organiseerde het Westfries Museum in Hoorn een tentoonstelling over Coen, waarin de voor- en tegenstanders over het standbeeld aan het woord kwamen. Bij de tentoonstelling stemde uiteindelijk 63 procent van de 2.466 bezoekers voor het laten staan van het standbeeld, met de toevoeging van een kritische tekst over Coen. Museumdirecteur Ad Geerdink vertelde dat de voorstanders in de tentoonstelling aanvoerden dat het standbeeld juist herinnert aan de schaduwzijde van de Gouden Eeuw.

In een ander nieuwsbericht uit 2018 komen wetenschappers aan het woord naar aanleiding van debat over het Nederlandse slavernijverleden. Een aantal van hen wil de zwarte pagina’s niet uitwissen omdat standbeelden en straatnamen mogelijkheden bieden om het verleden zichtbaar te maken. Een andere wetenschapper wijst er echter op dat de meeste ‘koloniale helden’ pas honderden jaren na hun dood een standbeeld of straatnaam kregen. Coen bijvoorbeeld overleed in 1629 en kreeg zijn standbeeld pas in 1893. Vooral in de negentiende eeuw zal blind nationalisme en de zoektocht naar vaderlandse helden een motivatie zijn geweest om iemand als Coen tot prominent onderdeel van onze geschiedenis te kiezen. Nu wij in onze tijd bevrijd zijn van onze nationalistische tunnelvisie kunnen wij er nu toch voor kiezen om tot een ander inzicht te komen?

Waar het uiteindelijk om draait is welk doel wij beogen met standbeelden en straatnamen van historische personen. Volgens mij draait het om het tonen van respect voor deze personen en om door hen geïnspireerd te worden. Ze worden geacht een goed voorbeeld te zijn. In mijn wijk zijn straten vernoemd naar verzetsstrijders uit de Tweede Wereldoorlog. Elders zijn straten vernoemd naar Willem van Oranje en Nelson Mandela. Coen kreeg een standbeeld omdat hij als een held werd gezien die ons rijk heeft gemaakt, maar met zijn moordpartijen past hij totaal niet bij de bovengenoemde respectabele personen. Dan kan je nog wel toelichtingen plaatsen bij controversiële standbeelden, maar dat doet niets af aan het feit dat een standbeeld respect uitstraalt voor de afgebeelde persoon. En wie wil er nu aan het plein de Roode Steen in Hoorn zitten met goed uitzicht op dat standbeeld van Coen, in de wetenschap dat je naar een massamoordenaar kijkt? Ik zou mij daar niet comfortabel bij voelen! Massamoordenaars horen maar op één plek: de cel. Daarom verdienen zowel Coen als Leopold II geen standbeeld, wat mij betreft worden ze zo snel mogelijk verwijderd.

Voor wat betreft het kamp dat de geschiedenis liever niet uitgewist ziet worden, je kunt het standbeeld van Coen prima in het Westfries Museum van Hoorn plaatsen en vertellen over Coen in de geschiedenisles. Zo wordt er niets uitgewist. Wat straatnamen betreft denk ik wat pragmatischer. Het geeft de bewoners van een straat en andere partijen veel administratieve problemen als zij overal hun adresgegevens moeten wijzigen. Ik zou het daarom laten bij een toelichting bij straatnamen en deze alleen wijzigen als de meerderheid van de bewoners van de straat instemt.

Maar dan nu de moeilijkste vraag: hoe ver gaan we hier mee? Ja, iedere persoon heeft fouten gemaakt. Om de retorische vraag van Noah te beantwoorden, we zijn het er allemaal over eens dat Hitler nooit een standbeeld zou moeten krijgen. Hij was immers schuldig aan de grootste zonde: genocide. Leopold II en Coen worden daar ook van beschuldigd, maar hun misdaden voldoen niet aan de strikte definitie van genocide. Over beide personen zijn de meningen verdeeld, maar wellicht worden hun standbeelden in de komende jaren daadwerkelijk verwijderd als de controverse te groot wordt. Hoe gaan wij daarna verder? Laten wij daarom twee standbeelden evalueren die nu nog niet controversiëel zijn, maar daar wel het potentiëel voor hebben. Bijvoorbeeld het standbeeld van Karel de Grote in Luik en het standbeeld van Alexander de Grote in Thessaloniki.

Karel de Grote liet 4.500 Saksen die zich hadden overgegeven in Verden executeren. Alexander de Grote was verantwoordelijk voor de vernietiging van Thebe (een deel van de inwoners, inclusief vrouwen en kinderen, werden gedood, een ander deel als slaaf verkocht); het doden van Griekse huurlingen die zich wilden overgegeven aan het einde van de slag van de Granicus (alleen volgens Plutarchus); een bloedbad (en volgens alleen Quintus Curtius Rufus ook massale kruisiging) na het beleg van Tyrus; het uitmoorden van de Griekse Branchidae in Centraal-Azië die hem vriendelijk hadden ontvangen.

Alexander de Grote was niet veel gruwelijker dan zijn tijdgenoten. Het was geaccepteerd in die tijd dat een stad die zich had verzet tegen een beleg en werd verovererd was overgeleverd aan de grillen van de winnaar. Het doden van mensen die zich hadden overgegeven ging verder, maar is vaker gedaan in de geschiedenis. Desalniettemin, als wij het er over eens zijn dat zulke daden ook toen afschuwelijk waren, is de conclusie die daar op volgt voor mij onvermijdelijk. Als wij vinden dat Coen en Leopold II geen standbeeld verdienen vanwege massamoord, verdienen Karel de Grote en Alexander de Grote het ook niet. Ja, dit heeft misschien als gevolg dat er veel meer standbeelden geruimd zouden moeten worden. Maar er zijn voldoende andere historische personen die geen moord of executie op hun geweten hebben en wel een moreel voorbeeld zijn.


Drie IT-werkplekken voor de Rijksoverheid

Recent ben ik er achter gekomen dat de Rijksoverheid maar liefst drie verschillende IT-werkplekken gebruikt. Ik heb het dan over de werkomgeving (besturingssysteem en applicaties) waar Rijksambtenaren op kunnen inloggen via hun computers om hun werk te doen. Het blijkt dat de meeste ministeries, namelijk BZK, BZ, FIN, IenW, SZW, JenV en VWS de werkomgeving gebruiken die door SSC-ICT wordt aangeboden. SSC-ICT (Shared Service Centrum ICT) is de grootste IT-dienstverlener van het Rijk. Twee andere ministeries, EZK en LNV, gebruiken een andere IT-werkplek die door DICTU (Dienst ICT Uitvoering) wordt verzorgd. Ten slotte gebruikt OCW nog een eigen werkomgeving.

De situatie van OCW zal niet lang voortduren omdat OCW nu bezig om tijdelijk te migreren naar de werkplek van een van haar uitvoeringsorganisaties, DUO, om vervolgens over te stappen naar de werkplek van SSC-ICT. Blijkbaar is OCW erg traag geweest met de migratie van hun werkplek naar SSC-ICT, omdat de andere ministeries al sinds 2009 gebruik maken van de SSC-ICT werkplek, waarom wordt mij niet duidelijk. Dat is echter niet het geval voor DICTU. Oorspronkelijk was het voornemen van EZK om wel aan te sluiten bij de SSC-ICT werkplek. Omdat in 2014 bleek dat SSC-ICT onvoldoende capaciteit had om deze aan EZK aan te bieden besloot het ministerie om dan maar zelf een IT-werkplek te ontwikkelen.

Wat we hier zien deed mij denken aan de ideeën van de econoom William A. Niskanen, waar ik tijdens mijn studie bestuurskunde bekend mee raakte. Niskanen dacht dat bureaucratiën efficiënter zouden functioneren als ze met elkaar zouden concurreren. Ik heb nooit veel vertrouwen in dat idee gehad. Misschien dat het voor sommige diensten werkt, zoals bijvoorbeeld het Korps Commandotroepen en het Korps Mariniers, maar ik kan mij moeilijk voorstellen dat dit nut heeft voor IT-werkplekken. Een IT-werkplek vergt immers hoge initiële kosten voor softwareontwikkeling, infrastructuur en gebruikersondersteuning. Het wordt pas een efficiënt product als het een grote schaal bereikt.

Wat hier het geval lijkt te zijn is dat er geen visie en regie van bovenaf was om de ministeries te dwingen om direct samen te werken aan één IT-werkplek. De vrijblijvendheid en het eigengereide handelen van een aantal ministeries heeft geleid tot deze inefficiënte situatie. Het is mij onduidelijk wat het bestaansrecht is van de IT-werkplek van DICTU en waarom EZK en LNV niet de IT-werkplek van SSC-ICT kunnen afnemen.

De interessante vraag is hoe het zover heeft kunnen komen. Toen ik een manager van DICTU die al langer daar werkte vroeg waarom de capaciteit van SSC-ICT niet werd uitgebreid om EZK en LNV te bedienen, kon hij deze niet beantwoorden. Wie weet kan een journalist of onderzoekscommissie zich hier eens in verdiepen.

Het vertrek van Krikke en de rol van de vertrouwenscommissie

“Hoera!” was mijn reactie toen ik een week geleden hoorde dat Pauline Krikke opstapte als burgemeester van Den Haag. In mijn eerdere post over de gekozen burgemeester had ik al mijn onvrede geuit over Krikke, met name vanwege haar falen om de uit de hand gelopen vreugdevuren van 1 januari 2019 te voorkomen.

Nu heeft de Onderzoeksraad voor de Veiligheid met een rapport uitgebracht waarin nog eens duidelijk is gemaakt dat de Krikke de mogelijkheden had de grote schade te voorkomen, maar dat niet deed. Toen duidelijk werd dat de gemeenteraad haar niet meer zou steunen, nam Krikke de vlucht naar voren door zelf op te stappen. Het is jammer dat we meer dan een half jaar op dit rapport hebben moeten wachten voordat we tot deze conclusie kwamen, want het was in de eerste weken van januari al duidelijk geworden dat Krikke degene was die had geblunderd. Anderen die met de vinger wijzen naar het roekeloze gedrag van de organisatoren van de vreugdevuren mogen dan gelijk hebben, maar dat feit is niet relevant. Krikke werd betaald om die mensen in toom te houden.

Het nemen van de vlucht naar voren in plaats van het afwachten van je ontslag heeft als voordeel dat je jouw gezichtsverlies kunt beperken en dat je verantwoordelijkheidsgevoel kunt laten zien. Toch gaat die vlieger hier niet op voor dat laatste; als Krikke écht rekenschap had willen geven was ze in januari al opgestapt. De videoboodschap waarmee ze haar vertrek aankondigt straalt ook geen verantwoording uit, ze vertrekt omdat ze “onder vuur” ligt en “ het debat over haar toekomst het debat over de toekomst van Den Haag in de weg staat”. Dus niet omdat ze erkent dat ze nalatig is geweest inzake de vreugdevuren; het woord “sorry” kan er niet af. Als ze het dan ook nog eens over de “verlammende impact op constructief met elkaar meedenken” heeft in plaats van de “verlammende uitwerking”, kan ik de boodschap natuurlijk helemaal niet meer serieus nemen.

Maar wat mij eigenlijk het meest verbaasd is hoe Krikke ooit benoemd kon worden tot burgemeester van Den Haag. Wie zich verdiept in de loopbaan van Krikke, komt er namelijk achter dat zij slecht had gepresteerd als burgemeester van Arnhem en als directeur van het Scheepvaartmuseum. Volgens Trouw werd in Arnhem in een uitgelekt rapport geschreven dat zij “personeel koeieneert en onheus bejegent”. Haar manier van leidinggeven werd als “solistisch, intimiderend en schofferend” ervaren door de medewerkers van het Scheepvaartmuseum, waar zij met ruzie vertrok. Ze diende maar iets meer dan een jaar als directeur.

Dit is natuurlijk geen nieuwe informatie. Een artikel in het NRC uit 2017, vlak na Krikke’s aanstelling als burgemeester, benadrukt hoe verbaasd de medewerkers van het Scheepvaartmuseum waren dat Krikke de burgemeesterspost kreeg. De aanstelling van Krikke werd door iedere partij in de gemeenteraad met instemming ontvangen. Toen het NRC dan toch D66-fractievoorzitter Robert van Asten expliciet vroeg naar de kritiek die Krikke kreeg van de gemeente Arnhem en het Scheepvaartmuseum, was zijn antwoord dat hij zich daar niet in verdiept had en dat hij aannam dat de vertrouwenscommissie haar cv goed had bekeken. Voor mij is het extra gênant dat de Volkskrant optekent dat ook Arjen Kapteijns, GroenLinks-raadslid, destijds de ervaring van Krikke prees.

De voltallige gemeenteraad heeft liggen slapen, de vertrouwenscommissie in het bijzonder. Op basis van anonieme bronnen beweert Omroep West dat de vertrouwenscommissie haar vooral zou hebben gekozen omdat ze vrouw was en geen PvdA-lid, waar de Groep De Mos en de PVV een afkeer van hadden. Als het gaat om iets belangrijks als een burgemeestersbenoeming vind ik het een slap excuus als raadsleden zeggen dat ze de vertrouwenscommissie maar volgen. Ik verwacht beter van jullie! Voor veel minder belangrijke functies worden referenties immers wel serieus onderzocht.

Voor mij illustreert dit weer hoe belangrijk het is dat wij een gekozen burgemeester invoeren. Als Krikke campagne had moeten voeren om burgemeester van Den Haag te worden had zij constant vragen moeten beantwoorden over haar staat van dienst bij de gemeente Arnhem en het Scheepvaartmuseum. Dat was een kansloze campagne geweest. De wegen van de schimmige procedures voor benoemingen van ongekozen bestuurders zijn ondoorgrondelijk, maar laten we hopen dat Krikke niet meer elders in het openbaar bestuur een nieuwe baan krijgt.

Schaf de snorfiets af

De Amsterdamse wethouder Sharon Dijksma (PvdA) is een van mijn nieuwe favoriete politici. Zij heeft er namelijk voor gezorgd dat snorfietsen sinds 8 april dit jaar niet meer zijn toegestaan op de meeste fietspaden in Amsterdam.

Dit werd mogelijk gemaakt door een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) die op 21 juni 2018 door de regering werd uitgevaardigd. Een AMvB is gedelegeerde wetgeving. De Wegenverkeerswet 1994 bevat immers de regels op hoofdlijnen en laat de precieze uitwerking van de details over aan AMvB’s, welke gewijzigd kunnen worden zonder goedkeuring van de Staten Generaal. De AMvB in deze kwestie past een aantal artikelen in het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer en het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 aan. Dit geeft de gemeente als wegbeheerder de mogelijkheid om in het verkeersbesluit te bepalen waar snorfietsers mogen rijden.

Uit de toelichting op de AMvB wordt duidelijk dat deze vooral op verzoek van de gemeente Amsterdam is geschreven. Amsterdam had een probleem met de bereikbaarheid van haar binnenstad vanwege de groeiende aantallen fietsers en snorfietsers. Omdat snorfietsen met hun brede formaat en het snelheidsverschil met fietsen vaak voor gevaarlijke situaties zorgden op de fietspaden heeft de gemeente gevraagd om aanpassing van de wet. De Tweede Kamer heeft die wens gesteund en de regering verzocht de regels aan te passen.

Om dit beleid te begrijpen eerst een toelichting op de wetgeving omtrent snorfietsen. We hebben in Nederland drie wettelijke categorieën voor gemotoriseerde voertuigen op twee wielen (gewone elektrische fietsen uitgezonderd):

  1. De snorfiets met een maximumsnelheid van 25 km/u. Vereist rijbewijs AM en heeft een blauw nummerbord. Moet op het fietspad rijden en heeft geen helmplicht.
  2. De bromfiets met een maximumsnelheid van 45 km/u. Vereist rijbewijs AM en heeft een geel nummerbord. Moet in het algemeen in de bebouwde kom op de rijbaan rijden, buiten de bebouwde kom op het fietspad. De bromfiets mag namelijk niet op autowegen en autosnelwegen rijden. Heeft een helmplicht.
  3. De motorfiets met dezelfde maximumsnelheid als de auto. Vereist rijbewijs A en heeft een geel nummerbord. Rijdt net als de auto nooit op het fietspad. Heeft een helmplicht.

In het nieuwe verkeersbesluit van de gemeente Amsterdam waarin de snorfiets van het fietspad wordt geweerd valt op dat er veel moeite wordt gedaan om de maatregel te rechtvaardigen. Volgens het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer mogen de bijzondere redenen voor het weren van snorfietsen namelijk alleen betrekking hebben op ‘grote drukte’. Wat dat is wordt niet gedefinieerd en mag de gemeente dus zelf interpreteren, maar de gemeente heeft er duidelijk veel onderzoek en rekenmethoden op losgelaten om de ‘grote drukte’ te definiëren.

Wat mij betreft is dit tijdverspilling omdat snorfietsers per definitie een onnodig gevaar vormen voor fietsers op het fietspad, ook als het minder druk is. Het snelheidsverschil, formaat en gewicht van een snorfiets maakt dat een fietser altijd aan het kortste einde trekt bij een botsing. Een ander punt waar deze wetgeving geen rekening mee houdt is de stank en luchtvervuiling die snorfietsen met benzinemotoren op het fietspad veroorzaken. Een onderzoek van de GGD Gelderland Midden uit 2017 laat zien dat snorfietsen een forse bijdrage leveren aan de emissies van ultrafijnstof op fietspaden. Dit vormt een gezondheidsrisico voor fietsers. De GGD Gelderland Midden adviseert dan ook om op de lange termijn niet-elektrische snorfietsen uit te faseren en op de korte termijn van het fietspad te weren.

Sinds ik in Den Haag in een half uur naar mijn werk fiets in het centrum word ik dagelijks geconfronteerd met hard rijdende snorfietsen (sommige zijn natuurlijk opgevoerd en rijden sneller dan 25 km/u) en hun smerige uitlaatgassen. Maar waar ik mij echt zorgen om maak is dat mijn dochter Rosalinde over een paar jaar op haar eerste fiets het fietspad zou moeten delen met deze gevaartes die haar makkelijk morsdood kunnen rijden. Gelukkig lijkt de redding nabij en hoeft Rosalinde dit niet meer mee te maken, als het aan onze wethouder Robert van Asten (D66) ligt. Hij verwacht in 2020 Amsterdam te volgen in het verplaatsen van de snorfiets naar de rijbaan. Bij deze moedig ik hem aan de ‘grote drukte’ vooral heel ruim te interpreteren.

Het einddoel moet echter de complete uitfasering van de snorfiets als categorie zijn. De facto gaat dat misschien al gebeuren door de aankomende algemene helmplicht voor snorfietsers. Naar verwachting wordt daar eind dit jaar of volgend jaar een wetswijziging voor geïntroduceerd. Als een van de voordelen van de snorfiets wordt weggenomen door de helmplicht helpt dat hopelijk om snorfietsgebruikers te overtuigen om naar een elektrische fiets, bromfiets of motorfiets over te stappen. Daarnaast wordt in het Klimaatakkoord voorgesteld om de verkoop van snorfietsen en bromfietsen op benzine te verbieden vanaf respectievelijk 2025 en 2030. Mits aangenomen zal dat het probleem van de luchtvervuiling op het fietspad oplossen. Dan blijft echter het probleem dat de officiële maximumsnelheid van de snorfiets, 25 km/u, niet wenselijk is op de weg. Het zal immers het autoverkeer dat maximaal 50 km/u mag rijden vertragen. De beste oplossing is daarom het afschaffen van de hele categorie. Het is alleen maar omslachtig, complex en inconsistent als iedere gemeente daar zelf een keuze in moet maken in haar verkeersbesluit.

Dan is er natuurlijk ook de kwestie van draagvlak onder snorfietsrijders. Zij kunnen hun snorfiets laten ombouwen naar een bromfiets, maar moeten dan de registratie bij de RDW wijzigen. Dat vereist een keuring bij de RDW die een paar honderd euro kost en alleen in Lelystad (!) uitgevoerd kan worden. Als we die keuring makkelijk en goedkoop maken denk ik dat het afschaffen van de snorfiets als categorie minder weerstand zou opleveren. Geef alle scooterzaken met een APK-licentie ook de bevoegdheid om die keuring te doen en zorg voor dat verkoopverbod op snorfietsen en bromfietsen op benzine, dan hebben we een mooi compromis.

Wat er mis is met het Forum voor Democratie

Op 20 maart dit jaar werden de Provinciale Statenverkiezingen gehouden en werd het Forum voor Democratie uit het niets de grootste partij. Ze hebben de meeste zetels in de Provinciale Staten behaald. In de Eerste Kamer is deze partij met twaalf zetels de grootste partij, samen met de VVD die hetzelfde aantal zetels heeft behaald. Het leek mij daarom verstandig om te onderzoeken wat de ‘uil van Minerva’ precies van plan is met onze ‘boreale wereld’.

De website van hun afdeling Zuid-Holland, waar ze de grootste partij werden, geeft niet veel prijs. De oudere partijen zoals GroenLinks of de VVD vertellen met een uitgebreid partijprogramma van een aantal pagina’s wat hun beleidsvoornemens zijn. Het FvD Zuid-Holland beperkt zich tot een paar regels tekst verdeeld over verschillende beleidsterreinen. Met sommige punten ben ik het eens, zoals de gekozen Commissaris van de Koning en gemeentelijke fusies alleen met goedkeuring van de bewoners. Met andere punten totaal niet, zoals het stoppen van de energietransitie. Andere punten zijn simpelweg vaag, bijvoorbeeld dat de provincie alleen de kerntaken zou moeten uitvoeren. Welke kerntaken dan?

Het is niet waar dat mensen niet geïnteresseerd zouden zijn in een uitgebreid politiek programma. Ik denk dat er genoeg kiezers zijn in Zuid-Holland die willen weten wat een partij denkt over bijvoorbeeld de aanleg van de Duinpolderweg of de groei van het vliegveld van Rotterdam. Heel concrete zaken, waar het FvD Zuid-Holland niets over verteld.

Maar dan de nationale afdeling van FvD, die via de Eerste Kamer nu veel meer invloed heeft. Op hun website staan een aantal standpunten waar ik mij zeker in kan vinden, zoals de gekozen burgemeester en bindende referenda. Maar ook daar ontbreekt het aan details over hun standpunten.

Wat met name mijn aandacht trok is hun plan voor de belastingen. Ze hebben het blijkbaar over de inkomstenbelastingen en schrijven dat ze een belastingvrije voet van € 20.000 willen voor iedereen en nog maar twee schijven van 20% en 35%. De bedragen waar de schijven beginnen en eindigen worden niet genoemd, maar de heffingskortingen (wat het FvD zou bedoelen met een belastingvrije voet) die we nu hebben zijn fors lager en de tarieven die bij de vier huidige belastingschijven horen zijn fors hoger.

Het FvD schrijft dat dit leidt tot veel lagere uitvoeringskosten en dat minder belasting heffen leidt tot een kleinere overheid. Alsof een kleine publieke sector een doel op zich is voor deze partij, ongeacht de nuttige diensten zoals veiligheid, onderwijs en gezondheidszorg die zij levert. Wat de prognose voor de uitvoeringskosten is en hoe veel kleiner de overheid gaat worden vertellen ze ook niet.

Het gebrek aan details in de financiële plannen van het FvD maakt het niet mogelijk een accurate berekening te maken van de gevolgen hiervan, maar De Correspondent kwam met het maken van enkele aannames uit op een tekort van € 66,7 (!) miljard. Dan gaat Nederland natuurlijk bankroet. FvD-aanhangers zullen De Correspondent waarschijnlijk rekenen tot de liegende linkse media, maar als zij mij kunnen wijzen op een financiële onderbouwing van de plannen dan zou ik die met veel interesse willen lezen. Tot mijn verbazing wordt FvD-leider Thierry Baudet in de debatten niet aangepakt op dit onderwerp.

Met het onvermogen van het FvD om een solide financiële onderbouwing voor haar plannen te geven is het geen verrassing dat het FvD haar partijprogramma niet liet doorrekenen door het Centraal Planbureau (CPB). Ons land is uniek in de traditie dat het CPB de financiële gevolgen van partijprogramma’s berekent. Partijen laten dat op vrijwillige basis doen en gelukkig doen de meeste ook mee. Dit zorgt er voor dat zij niet van alles kunnen beloven zonder dat zij de financiële middelen hebben om de beloftes waar te maken. In plaats van te werken aan een betere financiële onderbouwing gebruikt het FvD laffe excuses, zoals het CPB “de grootste verspreider van nepnieuws” noemen en beweren dat de CPB-modellen “achterhaald” zijn. Uitleggen waarom deze achterhaald zijn doen ze natuurlijk niet, laat staan dat ze de moeite doen om een alternatieve ‘correcte’ doorrekening te presenteren.

Wat mij ook opvalt is dat het FvD normale betrekkingen met Rusland wil. Onder hun standpunt over geostrategie lezen we dat “onze geopolitiek is nog teveel gebaseerd op de doelstellingen van de Koude Oorlog” en dat wij om economische reden belang hebben bij een goede relatie met Rusland. Blijkbaar zijn ze vergeten wat er gebeurd is na de Koude Oorlog, zoals bijvoorbeeld de Russische aanval op Georgië in 2008, de annexatie van de Krim in 2014 en de steun aan dictators in Syrië en Venezuela. Dichter bij huis wordt Rusland verdacht van de vergiftiging van Sergej en Joelia Skripal in het Verenigd Koninkrijk in 2018. In Nederland werd in 2018 een Russische cyberaanval op de Organisatie voor het Verbod op Chemische Wapens verijdeld. Maar bovenal, Rusland is verantwoordelijk voor het neerschieten van vlucht MH17 boven Oekraïne in 2014.

Het is ongelofelijk dat het FvD zo haar kop in het zand steekt voor een land dat zich overduidelijk vijandig gedraagt tegen ons land en een groot deel van de rest van de wereld. Sterker nog, Baudet ondertekende in 2016 een brief aan Trump met de vraag om nieuw onderzoek te doen naar de aanslag omdat hij het door Nederland geleide Joint Investigations Team (JIT) niet vertrouwde. In 2018 bleek hij toch in te stemmen met het aansprakelijk stellen van Rusland voor de aanslag. In een tv-debat vorige maand herhaalde hij echter dat hij twijfelt aan de onafhankelijkheid van het JIT-onderzoek en dat hij Oekraïne nog steeds als een van de mogelijke daders beschouwt. Baudet doet zoveel moeite om het onderzoek van het JIT in diskrediet te brengen dat de vraag rijst of het FvD wordt gefinancierd vanuit Moskou.

Ik zou nog verder kunnen uitweiden over het ontkennen van door de mens veroorzaakte klimaatverandering door Baudet en de dubieuze bewering dat het klimaatbeleid ons 1.000 miljard gaat kosten. Maar ik zal afronden met de stijl van politiek bedrijven door FvD en het karakter van Baudet. Ik vond dat DENK al een zeer laag fatsoensniveau had bereikt door alle persoonlijke aanvallen en de uitspraak dat artsen de behandeling van zieke allochtone ouderen eerder stoppen dan bij autochtone zieke ouderen. Het FvD en Baudet blijken nog dieper te kunnen zinken.

Zo heeft Baudet rare ideeën over vrouwen. Zijn vraag aan Rutte aan het eind van hun debat vorige maand over wanneer hij voor het laatst had gehuild was onbeschoft. Hij hangt zijn eigen naaktfoto aan de grote klok, wat ik raar gedrag vind voor een volksvertegenwoordiger. Hij verwijt zijn politieke opponenten dat zij verantwoordelijk zijn voor verkrachtingen door migranten. De argumentatie van het FvD om een meldpunt voor linkse indoctrinatie in het onderwijs in te stellen leest als een slechte grap en is schandalig. Het FvD is vaak negatief in het nieuws vanwege interne ruzie. Zo kan ik nog wel even doorgaan, maar voor mij is duidelijk dat deze partij en Baudet zelf compleet ongeschikt zijn voor regeringsdeelname.

FvD-stemmers en leden, ik begrijp dat jullie genoeg hebben van de traditionele partijen. Maar is een partij die loze beloften maakt zonder financiële dekking, die niet achter de MH17-slachtoffers staat, intern ruzie maakt en feitenvrije politiek bedrijft echt wat jullie willen? Gelukkig hebben de leden van het FvD de mogelijkheid om op een ALV moties in te dienen en het verkiezingsprogramma vast te stellen. Ik verwacht niet dat jullie Baudet naar huis sturen. Maar ik hoop wel dat jullie er op zijn minst voor zorgen dat het standpunt over Rusland zo wordt gecorrigeerd dat het positief staat tegenover sancties tegen dat land.

De gekozen burgemeester is een stap dichter bij

In november 2018 was het eindelijk zo ver: de burgemeestersbenoeming is ‘gedeconstitutionaliseerd’ oftewel een lang woord voor het verwijderen uit de Grondwet. Dertien jaar na de Paascrisis heeft D66 alsnog een stap vooruit gezet naar het bereiken van een van haar belangrijke doelen, het invoeren van de gekozen burgemeester.

Het aanpassen van de Grondwet is lastig en duurt lang, omdat de Tweede en Eerste Kamer de wijziging ieder twee keer moeten goedkeuren. Voordat de Tweede Kamer de tweede goedkeuring kan geven, moet zij opnieuw worden verkozen. En in beide Kamers is een meerderheid van twee derde van de stemmen (in plaats van de helft plus één) nodig voor de tweede goedkeuring. Dit vormde uiteraard een extra barrière voor de wijziging van de burgemeestersbenoeming.

Het is belangrijk om te weten hoe burgemeesters nu benoemd worden om de discussie te begrijpen. Volgens de Gemeentewet stelt de gemeenteraad een profiel op voor de burgemeester en kunnen kandidaten solliciteren bij de commissaris van de Koning (CvdK). De CvdK laat een vertrouwenscommissie van de gemeenteraad vervolgens weten wie gesolliciteerd hebben en wie hij/zij geschikt acht voor benoeming. De vertrouwenscommissie kan besluiten om kandidaten die de CvdK ongeschikt acht mee te nemen in haar beoordeling. De vertrouwenscommissie informeert vervolgens de CvdK en de gemeenteraad over haar bevindingen. De gemeenteraad draagt dan twee sollicitanten voor aan de minister voor benoeming. De minister volgt in principe de aanbeveling “met inbegrip van de daarop gehanteerde volgorde”. De minister kan om zwaarwegende redenen de aanbeveling naast zich neerleggen en moet in dat geval een motivatie geven.

De Gemeentewet is op het punt van de “gehanteerde volgorde” onduidelijk, maar als ik het goed begrijp wordt bedoeld dat de minister de kandidaat die de eerste voorkeur heeft van de gemeenteraad benoemt. Zo staat het althans beschreven op de website van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Die website verschilt overigens op details van de Gemeentewet. Zo zou onder andere de gemeenteraad haar aanbeveling niet direct naar de minister sturen, maar naar de CvdK die deze dan weer naar de minister stuurt met zijn/haar advies.

Het mag duidelijk zijn dat de benoeming van de burgemeester een zeer schimmig en ontransparant proces is. De gemeenteraad kan in theorie wel de kandidaat kiezen die zij wil, maar de CvdK heeft wel erg veel invloed op het proces. In de Provinciewet is te lezen hoe de CvdK op een vergelijkbare wijze als de burgemeester wordt benoemd na een aanbeveling van de Provinciale Staten. Waarom moet de CvdK zich met benoemingen van burgemeesters bemoeien? De benoeming van ministers wordt toch ook gewoon door de politieke partijen geregeld die na de Tweede Kamerverkiezingen een regering gaan vormen, zonder externe bemoeienis? Daarnaast kan de politieke kleur van de CvdK sterk verschillen van de politieke kleur van de gemeente. Stel je voor dat je een gemeente in het Zeeuwse deel van de bijbelgordel hebt waar de gemeenteraad vol zit met christelijke partijen. Je hebt dan een CvdK, Han Polman, van D66. Misschien is deze man wel heel objectief, maar ik kan mij voorstellen dat het verschil in politieke kleur er toe kan leiden dat hij heel sturend optreedt bij burgemeestersbenoemingen.

Ook is er een fors verschil in de politieke partijen die de gemeenteraden bevolken en de partijen waar de zittende burgemeesters lid van zijn. In de uitslagen van de laatste gemeenteraadsverkiezingen is te zien dat lokale partijen in de meeste gemeenten hebben gewonnen. Toch zijn 83 procent van alle burgemeesters lid van respectievelijk VVD (30%), de PvdA (27%) en het CDA (27%). In Amsterdam is GroenLinks de grootste partij en is Femke Halsema van GroenLinks burgemeester geworden, maar in Utrecht is VVD’er Jan van Zanen burgemeester met een coalitie van GroenLinks (grootste partij), D66 en ChristenUnie in het college. Er is dus een flinke kloof tussen de politieke kleur van de raad en de burgemeester. Dat de burgemeester wordt benoemd voor zes jaar en die benoeming niet gelijk loopt met de gemeenteraadsverkiezingen maakt de kloof nog groter.

Dan is er nog de belangrijkste vraag, waarom zou je de burgemeester willen kiezen? De voornaamste verantwoordelijkheden van de functie liggen op het vlak van openbare orde en veiligheid. Sommigen, vooral ook de burgemeesters zelf, menen dat dit een technocratische zaak is die verspeend is van politiek. Het cliche dat burgemeesters “boven de partijen” staan wordt vaak ingezet. Maar is dat wel zo? Femke Halsema (burgemeester in Amsterdam en GroenLinks lid) geeft geen prioriteit aan de handhaving van het boerkaverbod. Pauline Krikke (burgemeester in Den Haag en VVD-lid) heeft maling aan het demonstratierecht. Het lijkt mij logisch dat bijvoorbeeld het enthousiasme voor legalisering van wiet en een vuurwerkverbod ook conform de links-rechts scheidingslijnen lopen, al kan ik daar geen bewijs voor vinden. Dit illustreert dat openbare orde en veiligheid toch een stevige politieke lading kan hebben.

Daarnaast kan de kiezer door middel van verkiezingen een burgemeester afstraffen door deze weg te stemmen of belonen met een extra termijn. Ik denk dat veel inwoners van Scheveningen Pauline Krikke weg willen hebben na haar blunder met de vreugdevuren van de afgelopen jaarwisseling. Ze hebben nu echter geen instrument om haar de deur te wijzen, dus ik zie het nog wel gebeuren dat Krikke nog een termijn krijgt of weer ergens anders burgemeester kan worden.

Het Nederlands Genootschap van Burgemeesters had voor de stemming een brief geschreven naar de Eerste Kamer om, verassing, hen op te roepen tegen de grondwetswijziging te stemmen. Ze hebben wat mij betreft gelijk met hun bewering dat de functie van de burgemeester niet los kan worden gezien van de andere organen in de gemeenteraad. Maar hun stelling dat er eerst een probleemanalyse en visie op het toekomstige functioneren van de burgemeester moet zijn gaat niet op. De burgemeestersbenoeming is alleen verplaatst vanuit de Grondwet naar de Gemeentewet, er is de facto nog niets veranderd. We kunnen de probleemanalyse en toekomstvisie nu bepalen. Als we daar op zouden wachten zou het proces alleen maar langer duren vanwege de lastige grondwetswijziging en zou er een compleet gebrek aan voortgang zijn. Ook wordt er weer gewag gemaakt van hun “onafhankelijke positie, boven de partijen en tussen de inwoners”. Ik denk ik dat voldoende heb duidelijk gemaakt dat die bewering twijfelachtig is. De brief ademt demofobie, de angst dat ze via het ‘partijkartel’ (in de woorden van het Forum voor Democratie) niet meer als burgemeester benoemd worden zodra het volk het voor het zeggen heeft.

Hoe moet het dan wel? In het buitenland is er genoeg ervaring met gekozen burgemeesters. Ik stel mij voor dat de functie vorm kan krijgen naar analogie van de minister-president op lokaal niveau. Dan zou de burgemeester de politiek leider worden van het college van burgemeester en wethouders. Naar voorbeeld van de Tweede Kamer kan de coalitie dan onderling bepalen wie de burgemeester wordt en loopt de termijn van de burgemeester gelijk met die van de gemeenteraad. Directe verkiezing door de inwoners kan ook, maar dan is er misschien een groter risico dat de burgemeester niet overweg kan met de coalitie als de functie een meer politiek karakter krijgt. Het is nu de vraag of en wanneer D66 en andere partijen doorpakken en een wetsvoorstel gaan bedenken om de benoemingsprocedure daadwerkelijk te veranderen.

De zomertijd en de tijdzone in Nederland

Na recent nieuws op NOS over de wens van de Europese Commissie om de zomertijd af te schaffen, besloot ik mij ook in het onderwerp te verdiepen. Kort samengevat: wintertijd is de ‘normale’ tijd, zomertijd zet de klok een uur vooruit zodat we in de zomer langer van het daglicht kunnen genieten. Het voordeel van langer daglicht in de zomer mag duidelijk zijn. Ik houd er ook van om langer in mijn tuin te zitten met gasten op een mooie zomeravond. Het NOC*NSF breekt een lans voor sporters die het extra daglicht in de zomeravond nodig hebben. Daar kan ik ook over meepraten omdat ik na mijn werk ook graag ga surfen of zwemmen in de zee. Hardlopen wordt ook in het nieuwsbericht genoemd, maar dat doe ik ook gewoon in het donker.

Maar het langere daglicht voor vrije tijd na de werkdag is meteen ook het enigste substantiële voordeel. In de verschillende nieuwsberichten en het uitgebreide Engelse Wikipedia artikel over zomertijd staat dat over het andere voordeel, energiebesparing, sterke twijfel is.  Aan de andere kant is het bewijs voor negatieve effecten, verstoring van het bioritme en nachtrust, is wel overtuigend. Hoewel ik persoonlijk niet slechter slaap na het begin of einde van de zomertijd, is het blijkbaar wel verstorend voor veel anderen. En de complexiteit van de klokwijziging is ook een argument tegen de zomertijd. Telefoons en computers wijzigen wel automatisch, maar mijn oven en mechanische klok niet. Er is extra verwarring als je met het buitenland moet bellen vanwege het omrekenen van tijdzones.

Het eerste nieuwsbericht wijst er ook op dat Nederland geografisch gezien eigenlijk de West-Europese Tijd (WET) hoort te gebruiken, net zoals het Verenigd Koninkrijk. Met andere woorden, onze klok loopt eigenlijk een uur (twee uur bij zomertijd) voor op de zon. Als de zon namelijk exact gevolgd zou worden, zou de zon het hoogste punt (de noen) bereiken om 12:00 uur. Een blik op het Wikipedia artikel over tijdzones leert ons dat dit elders in de wereld nog extremer is. Rusland heeft een rare indeling van tijdzones, China heeft voor het hele land één tijdzone (!) en het uiterste westen van Spanje heeft een sterke afwijking. De Verenigde Staten hebben wel een logische indeling van tijdzones die overeenkomt met de zon.

Omdat ik het interessant vond om te zien hoe de tijdzone in Nederland zich verhoudt tot andere tijdzones, heb ik het tijdstip van de zonsopkomst en zonsondergang in Den Haag vergeleken met twee andere steden. Den Haag ligt op de 52ste parallel noord, simpel gezegd een lijn van ongeveer 111 kilometer breed die in de oost-west richting over de aardbol loopt. Andere plekken op de breedtegraad, hoe ver ze ook van Den Haag af liggen, krijgen het hele jaar door ongeveer dezelfde hoeveelheid daglicht. Om te vergelijken heb ik Cambridge in het Verenigd Koninkrijk en Lipetsk in Rusland gekozen.

In de onderstaande tabellen zijn de resultaten te zien. De data is afkomstig van de website Time and Date en gaat uit van 2018. Ik vergelijk de kortste en langste dag voor de drie steden. Cambridge valt in het geografische midden van de West-Europese Tijd, de tijdzone die bij haar positie op de aardbol past. Lipetsk is een van de weinige grotere steden in Rusland die ook een geografisch passende tijdzone heeft en is relevant omdat Rusland geen zomertijd gebruikt.

Huidige situatie
Stad Datum Zonlicht Noen Daglengte
Cambridge 21 jun 04:38–21:24 13:01 16:46
Den Haag 21 jun 05:22–22:06 13:44 16:44
Lipetsk 21 jun 03:57–20:48 12:23 16:51
Cambridge 21 dec 08:06–15:48 11:57 07:42
Den Haag 21 dec 08:48–16:32 12:40 07:43
Lipetsk 21 dec 08:30–16:08 12:19 07:38

In het eerste nieuwsbericht dat ik noemde staat dat de voorzitter van de Europese Commissie, Jean-Claude Juncker, een persoonlijke voorkeur heeft voor permanente zomertijd als we de zomertijd inderdaad gaan afschaffen. Zoals het eerste nieuwsbericht ook uitlegt gaat dat wel ver, omdat de tijd in de winter dan net zo sterk gaat afwijken van de stand van de zon als in de zomer. Met als consequentie dat het op 21 december, de kortste dag van het jaar, de zon pas opgaat om 9:48 uur. Dit vind ik zeer onwenselijk, het zal zeker niet bevorderlijk zijn voor ons bioritme. Effectief betekent het dat we in de winter nog dieper in de nacht moeten opstaan.

Permanente zomertijd
Stad Datum Zonlicht Noen Daglengte
Den Haag 21 jun 05:22–22:06 13:44 16:44
Den Haag 21 dec 09:48–17:32 13:40 07:43

De zomertijd afschaffen lijkt mij de meest logische keuze, een mooi compromis. En wat als we op een andere manier naar het probleem kijken, naar de werktijden in plaats van de tijdzone? We zouden na het afschaffen van de zomertijd iets eerder kunnen beginnen met de werkdag, bijvoorbeeld 8:00 uur i.p.v. 8:30 uur, om extra zonlicht in de avond te winnen.

Afschaffen zomertijd
Stad Datum Zonlicht Noen Daglengte
Den Haag 21 jun 04:22–21:06 12:44 16:44
Den Haag 21 dec 08:48–16:32 12:40 07:43

Als we helemaal correct willen zijn zouden we niet alleen de zomertijd moeten afschaffen maar ook WET moeten gebruiken. Dit gaat mij persoonlijk wat ver omdat we dan nog minder licht overhouden op de zomeravond. Omdat Nederland in de oostelijke helft van de WET-zone ligt, loopt de klok iets voor op de zon.

Afschaffen zomertijd en gebruik WET
Stad Datum Zonlicht Noen Daglengte
Den Haag 21 jun 03:22–20:06 11:44 16:44
Den Haag 21 dec 07:48–15:32 11:40 07:43

Ten slotte nog  het nieuws dat de Europese lidstaten een besluit over de zomertijd hebben uitgesteld omdat het een complexe zaak is. Nederland wil blijkbaar in ieder geval dezelfde tijdzone als Duitsland gebruiken. En dat de Europese Commissie wil voorkomen dat “in Europa een lappendeken van verschillende tijdzones ontstaat” omdat het “slecht zijn voor het bedrijfsleven”. Ik volg deze redenering niet omdat de Verenigde Staten, de grootste economie ter wereld, vier tijdzones gebruiken zonder duidelijk nadeel voor haar economie. Ik zie dus ook geen probleem als de EU de zomertijd afschaft en Nederland, België, Luxemburg, Frankrijk en Spanje bijvoorbeeld WET gaan gebruiken en de rest van de EU Midden-Europese Tijd en Oost-Europese Tijd.

De dividendbelasting blijft

Op 5 oktober maakte Unilever bekend dat het haar hoofdkantoor niet verhuist van Londen naar Rotterdam omdat haar aandeelhouders tegen het plan waren. Later op de dag kondigt het kabinet aan dat het de afschaffing van de dividendbelasting gaat heroverwegen. Volgens Rutte betekent dat niet dat de afschaffing direct van tafel is. In zijn eigen woorden: “We hebben die maatregel niet voor één bedrijf genomen. Maar de besluiten vandaag van Unilever zijn natuurlijk wel relevant om mee te wegen en dat is aanleiding om af te spreken opnieuw te wegen.”

De woorden van Rutte rijmen niet met de realiteit. De aankondiging van de heroverweging kwam direct na de aankondiging van Unilever. En de actie van alleen Unilever, één bedrijf, is uiteindelijk toch de beweegreden voor de heroverweging. De uitspraak van Rutte heeft geen enkele geloofwaardigheid. Wederom lijkt dit een rookgordijn, ik denk dat Rutte al langer naar een uitweg zocht om af te zien van de afschaffing. De actie van Unilever past in zijn straat omdat hij het makkelijk kon gebruiken als excuus om zonder groot gezichtsverlies de afschaffing te annuleren. En dat het niet direct betekent dat de dividendbelasting afgeschaft zou worden geloof ik voor geen cent, want anders ga je geen twijfel zaaien. Ik weet nu zeker dat de dividendbelasting blijft.

Bedenk ook dat de Unilever’s plan om niet te verhuizen een bar slecht excuus is voor de heroverweging. De verhuizing van het hoofdkantoor naar Rotterdam zou enkele tientallen banen hebben opgeleverd. Zelfs als je er wat indirecte werkgelegenheid bij optelt, stellen tientallen banen niets voor. En wij moeten geloven dat tientallen banen van invloed zijn op een besluit over 1,9 miljard aan gederfde belastingopbrengsten? Dat bedrag zou de staat namelijk mislopen als de dividendbelasting zou worden afgeschaft.

Ander nieuws is dat volgens de Hoge Raad de dividendbelasting juridisch houdbaar is en buitenlandse beleggers niet discrimineert. Het nieuwsbericht is niet echt duidelijk over de argumenten van de Hoge Raad, maar geeft wel een link naar de gedetailleerde uitspraak. Ik heb geen kennis van belastingrecht, maar na de samenvatting te hebben gelezen denk ik het te begrijpen. Denemarken discrimineerde omdat “niet-Deense (beleggings)fondsen niet de keuze hebben om net als Deense fondsen aan de uitgang in plaats van aan de ingang belast te worden”.

De belasting aan de ingang is blijkbaar de belasting die wordt afgedragen aan de staat waar het beleggingsfonds gevestigd is. De belasting aan de uitgang wordt afgedragen aan de staat waar de ontvanger van het dividend is gevestigd, voor zover ik begrijp. In de praktijk biedt de keuze echter geen voordeel, omdat de vrijstelling voor de ingang alleen wordt gegeven als er belasting aan de uitgang wordt betaald. Dat laatste vergt echter zoveel complexe administratie dat in de praktijk geen enkel beleggingsfonds hier voor zou kiezen. Als de Belastingdienst een loket opent waarmee buitenlandse beleggingsfondsen de mogelijkheid wordt geboden om belasting over de uitgang te betalen en zo vrijstelling over de belasting aan de ingang te krijgen, kunnen de beleggingsfondsen de Nederlandse staat niets maken.

De samenvatting is redelijk leesbaar in deze voor leken complexe zaak. Toch viel het onnodige gebruik van Engels mij direct op in het taalgebruik van Advocaat-Generaal P.J. Wattel. Bijvoorbeeld “zowel de lokale, if any, als de Deense bronbelasting” en “zal het niet-ingezeten fonds moeten tracen welke ontvangen dividenden hij dooruitdeelt”. Naar correct Nederlands vertaald “indien van toepassing” en “traceren”. Dit was geen juridisch jargon waarvoor geen Nederlandse woorden bestonden. Jammer dat zelfs de Hoge Raad vatbaar is voor de vervuiling van onze taal met onnodig Engels.

Lili, Howick, Harbers en discretionaire bevoegdheid

Eerder deze maand besloot Mark Harbers, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, om zijn discretionaire bevoegdheid te gebruiken om Lili en Howick alsnog een verblijfsvergunning te geven. Ik had gehoopt dat de staatssecretaris net zo onbuigzaam zou zijn in deze kwestie als het kabinet in haar plan om de dividendbelasting af te schaffen. Ik ben teleurgesteld dat deze staatssecretaris geen ruggengraat heeft.

Nog even wat feiten op een rij: Lili (12) en Howick (13) wonen sinds 2008 in Nederland maar hebben de Armeense nationaliteit. Hun zaak is acht keer beoordeeld door rechters en acht keer luidde het oordeel dat ze geen recht hadden op asiel in Nederland. Armenië is immers een veilig land. Hun moeder was eerder al uitgezet naar Armenië in 2017. Omdat zij de verblijfplaats van haar ondergedoken kinderen verzweeg werd zij zonder hen uitgezet.

Natuurlijk, als je zoals Lili en Howick in Nederland bent opgegroeid zal het lastig zijn om in Armenië te integreren. Maar lastig is niet onmogelijk: als de vluchtelingen die naar Nederland komen hier kunnen integreren, kunnen Lili en Howick toch ook in Armenië integreren? Bij terugkeer naar Armenië zouden Lili en Howick zes maanden in een weeshuis moeten verblijven omdat hun moeder niet voor hen kan zorgen. Als we het comfort in het land van uitzetting tot criterium gaan maken kunnen we iedere asielzoeker uit Afrika of het Midden-Oosten ook wel gelijk een verblijfsvergunning geven. Want een snelle blik op de statistieken van gedwongen vertrek laat zien dat er genoeg mensen worden uitgezet naar nare landen waar het welvaartspeil flink lager ligt dan in Armenië.

Het is in Nederland mogelijk om een uitzetting eeuwig te rekken door keer op keer in beroep te gaan. Maar is het dan onze schuld dat Lili en Howick hier zijn geworteld? Nee! Hun moeder had niet jarenlang in beroep hoeven te gaan, dat was een keuze. Zij accepteerde het risico dat het uiteindelijk tot een afwijzing zou komen en zou daar terecht de gevolgen voor moeten dragen.

Het besluit van Lili en Howick om onder te duiken was effectief een vorm van chantage. Uit zorgen over de veiligheid van de kinderen besloot Mark Harbers hen immers een verblijfsvergunning te verstrekken. Lili en Howick hebben het in hun wanhoop waarschijnlijk niet zo bedoeld, maar het is toch fout. Door toe te geven laat Harbers zien dat onderduiken wordt beloond.

Waar ik de meeste moeite mee heb in deze zaak is het bestaan van de discretionaire bevoegdheid van de staatssecretaris. Er zijn geen regels voor het gebruik van deze bevoegdheid. De staatssecretaris kan naar eigen goeddunken en zonder uitleg besluiten om toch een verblijfsvergunning te geven aan afgewezen asielzoekers. Dit werkt willekeur in de hand. Asielzoekers zoals Lili en Howick die de media en publieke opinie weten te bespelen krijgen wel een verblijfsvergunning, anderen die niet bekend zijn worden wel uitgezet. We hebben juist rechters om die willekeur te voorkomen en objectief te oordelen of de wet juist is toegepast. Het oordeel van de rechtsprekende macht zou definitief moeten zijn. Er zou geen sprake mogen zijn van discretionaire bevoegdheid bij de uitvoerende macht om het oordeel van de rechtsprekende macht ter zijde te schuiven.

Mijn sentimenten over willekeur en stimulering van onderduiken worden blijkbaar gedeeld door IND-medewerkers. Ondertussen is een onderzoekscommissie ingesteld om te onderzoeken hoe dit soort situaties kunnen worden voorkomen. Blijkbaar is het moeilijk om het jarenlange stapelen van juridische procedures voor een asielprocedure te voorkomen vanwege het VN-vluchtelingenverdrag. Als dat zo is moet dat verdrag worden aangepast.

De afschaffing van de dividendbelasting

Het plan van Rutte III om de dividendbelasting af te schaffen is continu negatief in het nieuws. Het kabinet kon immers geen overtuigend bewijs leveren dat het plan een positief effect had op de werkgelegenheid. Het plan slaat ook een gat van 2 miljard in de begroting.

Recent was er nieuws dat de afschaffing noodzakelijk lijkt te zijn om juridische redenen. Het is nu namelijk zo dat de dividendbelasting alleen buitenlandse beleggers treft omdat Nederlandse beleggers deze mogen aftrekken van hun belasting. Denemarken deed hetzelfde, maar werd aangeklaagd door buitenlandse beleggers. Het Europese Hof van Justitie stelde de buitenlandse beleggers in het gelijk omdat het beleid discriminerend was. Als de Nederlandse staat een vergelijkbare rechtszaak verliest zou dat tot gevolg hebben dat buitenlandse beleggers ook een verzoek tot belastingteruggave zouden mogen indienen. Omdat de Belastingdienst niet bij machte is om met zo een grote wijziging om te gaan, zou dat de facto neerkomen op noodzakelijke afschaffing van de belasting. Ik begrijp echter niet waarom plan B – helemaal géén belastingteruggave voor Nederlandse én buitenlandse beleggers – niet mogelijk is.

Ik zie de VVD-bewindslieden er wel voor aan dat zij het plan hebben bedacht omdat de lobby van de multinationals hen dat influisterde. Volgens het nieuwsbericht was het juridische argument mogelijk de werkelijke reden voor Rutte III. Het zou alleen niet zo gecommuniceerd zijn omdat ambtenaren hadden afgeraden het juridische aspect te benoemen. Juist omdat het de juridische positie van de Nederlandse staat zou verzwakken. Heeft Rutte III werkelijk een rookgordijn opgetrokken? Vaak is de simpele uitleg de betere: die VVD-bewindslieden zijn géén politieke geniën maar de pionnen van de multinationals. De lobby voor dit plan gaat al jaren terug en deze juridische dimensie is pas vrij recent in de schijnwerpers gekomen.

Wat de werkelijke reden ook mag zijn, in principe houdt toch niemand van discriminatie? Zeker niet als wij worden gediscrimineerd, zoals bij het Duitse tolheffingsplan. Dat houdt in dat buitenlanders betalen voor het gebruik van Duitse snelwegen, terwijl Duitsers het bedrag terugkrijgen via de wegenbelasting. Eind vorig jaar besloot de Nederlandse staat dan ook om samen met andere EU-lidstaten op te trekken in een rechtszaak tegen Duitsland bij het Europese Hof van Justitie. Dan is het toch consistent om ook de dividendbelasting aan te pakken?

Waar het voor mij uiteindelijk om draait is of het afschaffen van de dividendbelasting op eerlijke wijze wordt gecompenseerd door hogere belastingen op vermogen en winst (waaronder specifiek vennootschapsbelasting op de winst van bedrijven). Het is wachten op de komende Rijksbegroting later deze maand, maar het lijkt inderdaad die richting op te gaan. Het plan zou zijn om het hoogste tarief van de vennootschapsbelasting niet naar 21% te verlagen, maar naar 22% om het wegvallen van de dividendbelasting te compenseren.

Het probleem is dat het hoogste tarief van de vennootschapsbelasting nu nog 25% is en ooit begon met 46%. Nederland laat zich samen met andere staten meesleuren in de belastingconcurrentie. Het idee is dat belastingen voor bedrijven steeds verder moeten worden verlaagd omdat bedrijven zich anders in het buitenland zouden vestigen als de belastingtarieven daar lager zijn. Overweeg nu een aantal andere statistieken. De collectieve lastendruk (de totale opbrengst van belastingen en sociale premies als percentage van het bruto binnenlands product) is sinds 1995 gestegen van 37,2% naar 38,5% in 2017. De opbrengsten van de vennootschapsbelasting als percentage van het bruto binnenlands product stegen van 2,87% in 1995 naar 2,90% in 2017.

De collectieve lastendruk stijgt duidelijk terwijl het aandeel van de vennootschapsbelasting ongeveer hetzelfde blijft. Deze kleine verschuiving is in werkelijkheid ernstiger. Het Centraal Planbureau kan de gelijkblijvende opbrengsten van de vennootschapsbelasting gedeeltelijk verklaren met twee oorzaken. Enerzijds worden de gedaalde tarieven gecompenseerd door een bredere belastinggrondslag, zoals minder aftrekposten en afschrijvingsmogelijkheden en dergelijke. Anderzijds is er ook een verschuiving in rechtsvorm van bedrijven, bijvoorbeeld van eenmanszaken naar besloten vennootschappen (bv’s). Een eenmanszaak betaalt inkomstenbelasting en een bv vennootschapsbelasting. Omdat de vennootschapsbelasting lager is loont het om een bedrijf om te zetten naar een bv. De consequentie is dat de opbrengsten uit de inkomstenbelasting wel getroffen worden.

Bovenstaande is natuurlijk maar een deel van het antwoord omdat we het alleen over vennootschapsbelasting hebben. Helaas kan ik geen goede historische cijfers vinden over de verdeling van de collectieve lastendruk tussen bedrijven en huishoudens. Ik heb een sterk vermoeden dat deze zouden laten zien dat bedrijven een steeds kleiner aandeel bijdragen aan de belastinginkomsten en huishoudens steeds meer. De tarieven van de vennootschapsbelasting iets minder fors verlagen gaat het probleem dus niet oplossen.